|
Het systeem van de patroonschappen
Een moeizame start
De Nederlandse aanwezigheid in Nieuw Nederland begon moeizaam. De directeuren van de West Indische Compagnie ontdekten al spoedig dat de ontwikkeling van een volksplanting veel kapitaal zou gaan vergen. Er zou flink moeten worden geïnvesteerd om kolonisten, vee, bouwmaterialen en gereedschappen per schip over te brengen. Ook het ontwikkelen van een bestuurlijke organisatie, de bouw van forten en de overkomst van soldaten waren kostbare zaken. Het stond niet bij voorbaat vast dat die investeringen rendement zouden gaan opleveren.
Dat lag duidelijk anders indien men er voor zou kiezen slechts een beperkt aantal kleine handelsposten in te richten. In dat geval konden grote en kostbare investeringen achterwege blijven.
Een gedwongen keuze
In het bestuur van de WIC werd uitgebreid over de juiste keuze gedebatteerd. De Heren Negentien probeerden aanvankelijk vast te houden aan het handelsmonopolie van de compagnie. Dat bracht echter met zich mee dat kapitaalkrachtige kooplieden niet bereid waren om geld in de onderneming te steken. Die wilden dat uitsluitend doen als zij in staat werden gesteld hun handelsactiviteiten naar eigen inzicht te ontwikkelen. De kwestie sleepte zich voort tot 1628, vier jaar nadat de belangrijkste stad in de kolonie, Nieuw Amsterdam, was gesticht. Het uitblijven van een besluit bracht de kolonie financieel aan de rand van de afgrond.
Binnen het bestuur van de Compagnie won uiteindelijk de factie van zakenlieden, onder aanvoering van Kiliaen van Rensselaer, het pleit. Hij slaagde er in om de weg te openen voor particuliere investeerders.
Partroons
Deze investeerders kregen de naam 'patroon'. Een patroon stond aan het hoofd van een 'patroonschap'. Ze kregen stroken land langs de rivieren in eigendom. Van de patroons werd verwacht dat zij uit Europa kolonisten, vee en gereedschappen naar het patroonschap zouden overbrengen. De toewijzing van land was genereus: een strook land van drie mijlen breed en zover landinwaarts strekkend als naar het oordeel van de nieuwe eigenaar redelijk was. De patroons kregen ook juridische zeggenschap in hun patroonschap. Zij mochten er hun vertegenwoordigers aanstellen, belastingen heffen en kolonisten, binnen zekere grenzen, bestraffen. Alle voortbrengselen van het gebied (zoals graan, fruit, vlees, vis en mineralen) waren het eigendom van de patroon. Dat gold echter niet voor de handel in pelzen. Dat bleef het exclusieve privilege van de WIC.
De nieuwe regeling maakte het ook mogelijk dat particulieren zich als boer of handwerksman in de kolonie vestigden. Niet langer was men dan automatisch in dienst van de WIC. Aan deze particulieren kon ook land worden toegewezen. Dat was echter aanzienlijk minder dan aan de patroons werd verstrekt. Zij kregen zoveel land toegewezen als zij redelijkerwijze konden bewerken.
Toen na een jaar deze nieuwe politiek nog steeds onvoldoende investeerders aantrok, werd de regeling nog verder in het voordeel van de patroons bijgesteld.
Mislukking en succes
Op een aantal plaatsen in Nieuw Nederland werden patroonschappen ingericht. Dat was niet eenvoudig. De aanvoer van (bouw) materialen werd beperkt door het aantal schepen dat de verbinding onderhield tussen de Republiek en de kolonie. Al spoedig ontstond er onderlinge concurrentie bij het verkrijgen van de schaarse beschikbare middelen. Er kwam maar een beperkt aantal patroonschappen tot stand. Kiliaen van Rensselaer stichtte een patroonschap bij het huidige Albany en noemde het Rensselaerswijck. Het was de enige vestiging die tot de komst van de Engelsen in 1664 redelijk bleef functioneren.
 |