
Alexander Ver Huell omschreef de gemiddelde studentenkamer als volgt: “hoogsteenvoudig was onze kamer en kast er de rechte naam voor.” De term bezemkast voor een studentenkamer is dus niet nieuw. Toch beschikte de negentiende-eeuwse student over het algemeen over een wat luxueuzere bezemkast dan de huidige student. Tot aan de jaren zestig van de twintigste eeuw was het merendeel van de studenten afkomstig uit de hoogburgerlijke klasse.
De gemiddelde student zat er dan ook net als de student op deze tekening behoorlijk comfortabel bij; wat overigens niet betekende dat studenten niet regelmatig platzak waren;, ook Ver Huell refereert hier regelmatig aan. Door een beurzensysteem dat halverwege de twintigste eeuw werd opgezet zou studeren niet langer voorbehouden zijn aan het hoogburgerlijke milieu. In de tweede helft van de twintigste eeuw is nog maar de helft van alle studenten uit die klasse afkomstig. Tegenwoordig is voor zowel de bemiddelde als de onbemiddelde student het vinden van een kamer een groot probleem.
Sinds de jaren zeventig worden er door de studentenhuisvesting met name aan de rand van de stad grote studentenflats gebouwd. De Pelikaanhof is een van de weinige moderne studentenflats die zich in het centrum van de stad bevindt. Of de buurtbewoners daar blij mee zijn is de vraag. De Pelikaanhof ziet er meer uit als een gevangenis dan als een verzameling studentenkamers.