2013: Stand-up filosoof

2013: Stand-up filosoof

In 2013 verscheen het door Wilma de Rek in vraaggesprek met René Gude geschreven Stand-up filosoof: de antwoorden van René Gude  bij ISVW Uitgevers in Leusden.

Voorzijde omslag van Stand-up filosoof : de antwoorden van René Gude / Wilma de Rek ; [eindred.: Mariet Meijer]. - Leusden : ISVW Uitgevers, 2013

Voorzijde omslag van Stand-up filosoof : de antwoorden van René Gude / Wilma de Rek ; [eindred.: Mariet Meijer]. - Leusden : ISVW Uitgevers, 2013

Achterzijde omslag van Stand-up filosoof : de antwoorden van René Gude / Wilma de Rek ; [eindred.: Mariet Meijer]. - Leusden : ISVW Uitgevers, 2013

Achterzijde omslag van Stand-up filosoof : de antwoorden van René Gude / Wilma de Rek ; [eindred.: Mariet Meijer]. - Leusden : ISVW Uitgevers, 2013

Binnenzijde achteromslag van Stand-up filosoof : de antwoorden van René Gude / Wilma de Rek ; [eindred.: Mariet Meijer]. - Leusden : ISVW Uitgevers, 2013

Binnenzijde achteromslag van Stand-up filosoof : de antwoorden van René Gude / Wilma de Rek ; [eindred.: Mariet Meijer]. - Leusden : ISVW Uitgevers, 2013

Het boek is samengesteld als een reeks interviews over verschillende onderwerpen, van Gude zelf tot het wereldbeeld, en over ambitie, politiek en de dood.

Bij zijn studie sociaal-geografie werd Gude duidelijk genmaakt dat als hij vragen stelde als 'Wat ís geografie?' en 'Wat ís wetenschappelijke kennis', dat hij dan filosofie zou moeten studeren en de overstap daarnaar heeft hij dan ook gemaakt. 

Jouw vraag was niet: wat is de zin van het leven?
O nee, helemaal niet. [...] De vraag naar de zin van het leven is een bijding [...] De eigenlijke kwesties in de filosofie zijn: hoe houden we het met de dingen uit? Gevolgd door: hoe houden me het met elkaar uit? en: hoe houd ik het met mezelf uit? [...] Heel pragmatisch samengevat: hoe richten we de samenleving in in een veranderlijke wereld? (p. 10-11) 

Filosofie is volgens Gude een middel om vergissingen, misverstanden en misleiding te voorkomen.

Filosofie is efficiënt tobben. (p. 12)

De rode lijn in de interviews is:

Het is de moeite waard om aan het verstand te blijven klussen. De rede is een spier die getraind kan worden. Het leven is aangenamer als je redelijk bent. Niet erg romantisch, hè? (p. 17)

Waarom hoeft de grootsheid van het heelal ons geen angst aan te jagen?

De daadwerkelijke omvang van het heelal is niet veranderd toen wij ontdekten dat het groter is dan we aanvankelijk dachten. Als je opeens toch bang wordt voor de verschrikkelijke leegte die ons omgeeft, dan weet je zeker dat je in de war bent geraakt van jezelf en niet van de werkelijkheid zelf, want die is niet veranderd. (p. 22)

Wij voelen soms een diepe verbondenheid met de wereld; we voelen ons soms één met de natuur:

Als je in het avondrood over het strand loopt, of in een herfstig bos waar een late zon schijnt. Heel plezierige gewaarwordingen zijn dat. Maar het is óók plezierig dat het slechts korte momenten zijn en dat dat gevoel na enige tijd wordt afgebroken.
Waarom?
Hierom: als je niet een beperkt onderdeel van het geheel bent, dan ben je er eigenlijk niet. Dan is er niks geïndividualiseerd. (p. 25) 

Volgens Wilma de Rek houdt Gude een pleidooi voor  optimisme. Over zijn wereldbeeld zegt hij:

De vooruitgang gaat met horten en stoten, maar ik denk wel dat het 21e-eeuwse wereldbeeld oneindig veel beter is dan dat van vroeger. (p. 27)

Er zijn drie soorten filosofen: empiristen ('mensen zijn in die visie ervaring-enhancers'), rationalisten (je moet je alternatieve voorstellingen voor de wereld vormen) en voluntaristen ('mensen doen wat hun begeerten en belangen en hartstochten hun opdragen'). De drie richtingen zijn gebaseerd op onze passies, onze empirie en onze ratio: verlangen, waarnemen, praten.

Over de ziel:

Ik kan natuurlijk niet bewijzen dat er hierna niks is, maar ik heb het eigenlijk liever niet. Al je zingevende energie moet volkomen toegaan naar de levende wereld en bestaande mensen. (p. 45)

Over het verlangen naar oneindigheid:

Humeurmanagement is dat je je oneindige wil precies laat aansluiten bij die eindige projecten die in jouw bereik liggen. (p. 50)

Wilma de Rek constateert dat René Gude 'eigenlijk best conservatief' is:

Ik ben van de hechting. [...] Ik ben nooit zo links geweest; ik heb altijd bezwaar gemaakt tegen progressiviteit zonder richting. Ik was bijvoorbeeld stakingsbreker bij universiteitsbezettingen. (p. 54)

Aan het slot van het hoofdstuk over 'De ander' vraagt Wilma de Rek of Gude de levenslessen daaruit nog even kan samenvatten.

Stap 1: Zoek naar mensen die jij prettig of intrigerend vindt - dat is het advies van Epicures.
Stap 2: Trek je de meningen van anderen over jou niet te veel aan; ze zijn van geen enkel belang - dat is de les van de Stoïcijnen.
Stap 3: Verplaats je in anderen en kijk of ze navolgenswaardig zijn. Als ze dat zijn, neem ze dan tot voorbeeld. 
Stap 4: Doe de voorbeeldige ander na en ontdek dat je lekker bezig bent, zonder ooit helemaal te worden zoals je voorbeeld. En voilà:
Stap 5: Daar heb je je zelfbeeld. (p. 64) 

Over religie in verhouding tot andere beschavingsprogramma's:

De filosofie moest het begrip van de wereld trainen, de religie moest onze wil op de een of andere manier vormgeven, de kunst moest de zinnen estheticeren en de sport was gericht op de fysieke gezondheid en op karaktervorming. (p. 77)

Over politiek zegt Gude dat de driedeling traditioneel, progressief en pragmatisch, filosofisch te duiden is als empirisme, rationalisme en voluntarisme. Daarmee kun je systeem in je denken nastreven.

Nederland is behoorlijk overzichtelijk, de overheid is zeer benaderbaar, je kunt iets voor elkaar krijgen. Als je maar niet richtingloos alle kanten op blijft denken. (p. 95)

Over ambitie:

Toen we Filosofie Magazine oprichtten, hadden we wel al echt de ambitie om filosofie tot een normaal onderdeel van de Nederlandse cultuur te maken, net zo normaal als concertbezoek, museumbezoek, het kijken naar voetbalwedstrijden of - eventueel - het bezoeken van een kerkdienst. We wilden dat filosofie gewoon ter beschikking kwam van de Nederlanders, dat die daar gebruik van konden maken. Dat was het expliciete doel. En dat is bereikt. (p. 105)

De mens leert niet van zijn fouten, maar:

We passen ons eigenlijk maar in zeer beperkte mate aan. We passen de omgeving aan óns aan. En dat is een verschil tussen mens en veel dieren. (p. 109)

Over moraal:

In een parlementaire democratie streven we naar een toestand waarin sprake is van maximale lust en minimale onlust voor zoveel mogelijk mensen. Die moraal heet utilisme; het is de liberale moraal bij uitstek. (p. 126)

Over ondeugden:

Als ik een leukste ondeugd moet aanwijzen, kies ik voor de hoogmoed.
Waarom?
Dat heeft alles te maken met mijn gedachte dat de wereld geen zin heeft. En als hij die wel heeft, kennen wij die niet. Maar onze hoogmoed maakt dat wij ons daar niets van aantrekken. Dat is behalve leuk, ook erg verstandig. Je moet je niet zomaar aanpassen aan een wereld die voor zover wij kunnen weten zinloos is; wanneer je dat doet, is je leven automatisch ook zinloos. (p. 133) 

Over optimisme:

Gezonde mensen schijnen stelselmatig te optimistisch te zijn, depressieve mensen hebben een realistischer wereldbeeld. Kennelijk is een zeker gebrek aan realisme heel gezond voor een mens. Optimisten moeten wel weer beter tegen teleurstellingen kunnen; hun manier van leven smeekt min of meer om tegenvallers. (p. 141)

Pessimisten mikken hun pijlen doorgaans niet op de wereld - want wie weet nou of die goed of slecht is? - maar op de mogelijkheid van succesvol menselijk ingrijpen. (p. 144)

Het laatste hoofdstuk gaat over de dood.

Je voorbereiden op de dood is meer dan bezig zijn met alleen de dood. Het doet ertoe hoe je met eindigheid in zijn algemeenheid omgaat.  (p. 151)