'U en de dood en ik'
Tussen 1925 en 1946 kwamen twintig bundels van Achterberg uit, en publiceerde hij in een groot aantal tijdschriften, waar onder Elsevier's geïllustreerd maandschrift, De gids, Opwaartsche wegen, en De vrije bladen. (De hierna volgende citaten zijn afkomstig uit deel 1 van de historisch-kritische uitgave van Achterbergs gedichten uit 2000, zie Literatuurverwijzingen: Achterberg, 2000. Voor het gemak worden de paginanummers uit de dertiende druk van de Verzamelde gedichten ook vermeld, zie Literatuurverwijzingen: Achterberg, 2003). De gedichten uit deze tijd zijn meestal vrije verzen, soms sonnetten, met een onregelmatig aantal lettergrepen.
Het echte debuut van Achterberg is de bundel Afvaart, die verscheen in 1931. In deze bundel zijn alle elementen die het oeuvre van de dichter kenmerken al aanwezig. Bijvoorbeeld de twee centrale figuren, de 'ik' en de overleden 'u':
Wat is dit een zoete verbintenis,
u en de dood en ik.
(p. 26 [VG, p. 26])
De 'ik' in het werk van Achterberg is steeds, door de dood, gescheiden van de 'u': een voorbeeld daarvan is het gedicht 'Tekort' uit de bundel Dead end (1940):
Ik ben het bitter overschot,
aan deze zijde Gods,
van ons in u voltrokken lot.
(p. 131 [VG, p. 150])
Hij spreekt haar aan in het gedicht, probeert haar te bereiken door te dichten. Maar de taal blijkt, hoewel machtig, uiteindelijk ontoereikend:
Dat ik bij machte ben te vinden
een laatste naam voor de beminde,
om dit heelal mee te verblinden,
voordat ik zelve naamloos word.
Het is mijn enige tekort.
Het woord was God in den beginne.
(p. 131 [VG, p. 150])
Vooral in het werk geschreven na Afvaart en in bundels verschenen voor 1942, en dan vooral in de bundels Eiland der ziel (1939), Dead end (1940) en Osmose (1941), komt het thema van de taal, het woord, en de dichtkunst regelmatig voor. Het gedicht zelf wordt het thema en dat blijft terugkomen, bijvoorbeeld in het gedicht 'Dichtkunst' (voor het eerst gepubliceerd in 1947):
De dikke dronken zwermen van gevoelen
krijgen kristal, wanneer ze in de taal
op woorden samentrekken, die ze schaal
geven, zoodat ze tot geluk verkoelen.
(p. 346 [VG, p. 651])
Ook het dichten om de overleden geliefde te bereiken wordt gethematiseerd. De taal dient als instrument om de dood te bezweren:
De levenskracht die gij eenmaal bezat
verdeelt zich over het a b c.
Ik combineer er sleutelwoorden mee
en open naar uw dood het zware slot.
Dit gedicht 'Code' eindigt als volgt:
De Dichter, onder 't schrijven, weegt en wikt,
op dood en leven een schermutseling,
totdat de deur eindelijk opengaat.
(p. 330 [VG, p. 604])
Een enkel gedicht van Achterberg gaat over de psychiatrische inrichtingen waar hij gedwongen verbleef, bijvoorbeeld 'Pastiches III', waarin hij een medepatiënt beschrijft:
Wandluis van God. Gebraden spek-gezicht.
En leege metselaarsogen,
die iedereen hebben belogen.
Een knevel groeit het prevelmondje dicht.
Hij loopt misdadig vlug en licht
achter denkbeeldige belangen,
waarin zijn geestje is gevangen,
door al de gangen van 't gesticht.
(p. 193 [VG, p. 253])
Dit gedicht is gepubliceerd in de bundel Osmose (1941). Deze heeft als motto een citaat van dr. E. Bouwman uit het Leerboek der natuurkunde: 'Men is er tot nu toe niet in geslaagd het optreden van de osmotischen druk geheel bevredigend te verklaren'. In het begin van de jaren '40 begon Achterberg zich te interesseren voor de natuurwetenschappen. Dat blijkt al uit titels als 'Corrosie', 'Oppervlaktespanning', en 'Aluminium'. In de gedichten uit 1945 en 1946 komt deze interesse nog duidelijker naar voren. In de bundel Stof (1946) bijvoorbeeld komen bijna alleen maar titels voor die materialen benoemen, zoals 'Albast', 'Bakeliet', 'Gummi' en 'IJzer'. Maar het centrale thema blijft gehandhaafd, zoals in 'Bazalt':
Graniet en gneis glimmen in u,
veldspaat en kwarts.
Dat zijn uw oogen nu
en hart van hars.
Geen lichaam meer apart,
leven en dood te hard,
ligt gij in het bazalt,
dat om u samenbalt.
(p. 281 [VG, p. 447])