'De jaren maken hoeken in een mens'

Er is in het werk van Gerrit Achterberg geen radicale breuk, maar een geleidelijke ontwikkeling. Toch is wel sprake van een 'omslagpunt' dat meestal tussen 1946 en 1950 wordt gelegd. Na die tijd is het aantal sonnetten, cyclische sonnettenbundels, en verzen met een regelmatig aantal lettergrepen duidelijk omhoog gegaan. De vormvastheid in zijn werk neemt dus toe. Dat is opvallend, want in die tijd werd juist steeds meer geëxperimenteerd met de vorm, zoals door de Vijftigers, bijvoorbeeld Lucebert en Kouwenaar. Maar een belangrijker ontwikkeling is de veralgemenisering van de thematiek in het werk van Achterberg. In het begin ging het om de 'ik' en de overleden 'u'. Hoewel de persoonlijke ervaring belangrijk blijft, gaat het steeds meer om algemeen menselijke ervaringen. (De hierna volgende citaten zijn afkomstig uit deel 1 van de historisch-kritische uitgave van Achterbergs gedichten uit 2000, zie Literatuurverwijzingen: Achterberg, 2000. Voor het gemak worden de paginanummers uit de dertiende druk van de Verzamelde gedichten ook vermeld, zie Literatuurverwijzingen: Achterberg, 2003).

De jaren maken hoeken in een mens
(p. 404 [VG, p. 758])

Deze veralgemenisering komt meestal voor in de context van het menselijk tekort. En het meest algemene menselijk tekort is natuurlijk de dood, want

Het eind laat ieder lichaam even koud.
(p. 392 [VG, p.743])

En de dood is het einde van alles, het brengt een definitieve scheiding aan, die nooit meer ongedaan gemaakt kan worden:

Alles wordt enkeling. Een eigen graf
wacht op het kerkhof zijn bewoner af.
(p. 477 [VG, p. 942])

Er bleven bundels verschijnen over het thema van de gestorven geliefde, maar er zijn ook uitzonderingen. De bundel En Jezus schreef in 't zand (1947) is een bundeling van gedichten met religieuze onderwerpen, bijvoorbeeld 'Triniteit':

God scherpt zijn wet op deze steen,
die mijn bestaan geworden is.
Maar Jezus Christus geeft ons vis
en droogt de tranen van geween.

Heeft een van beide zich vergist?
Wij zijn een duister phenomeen
zoolang niet in ons leven rijst
het licht van den heiligen geest.  
(p. 233 [VG, p. 601])

De bundel Hoonte (1949) is ook uitzonderlijk. Het centrale thema van Achterberg komt er niet in voor. De gedichten zijn vaak wat anekdotisch:

Uit de Middeleeuwen van Ary Prins
is deze molen overgebleven.
Hout, water en leven
hielden dezelfde, eensgezinde kracht.
(p. 215 [VG, p. 645])

Ook komen er gedichten in voor over beroepen, bijvoorbeeld 'Glazenwasser', 'Werkster', en 'Melkknecht'. En over kunstenaars: Van Gogh en Vestdijk. Dat hangt samen met de veralgemenisering in het werk, er komen steeds meer personages buiten de 'ik' en de 'u' in voor. De dichter is minder afgesloten van de buitenwereld. In Hoonte staat ook een gedicht over kinderangst en één over dronkenschap:

Als ik hier liggen ga, slaap ik meteen.

Maar ik ga niet liggen; ik ben niet thuis.
Daar staat de maan, en daar en daar
(p. 395 [VG, p. 685])

De bundel Ballade van de gasfitter (1953) is een verhalende sonnettencyclus:

Eindelijk is het kleine lek gedicht.
Ik zoek de spullen langzaam bij elkaar.
Mijn benen zijn als buizen lood zo zwaar.
Zweetdruppels lopen over mijn gezicht. 
(p. 426 [VG, p. 837])

De cyclus eindigt met de begrafenis van de gasfitter:

Men trad vooruit en schouwde critisch hoe
de fitter langzaam wegzonk in de grond,
als om hem nog op fouten te betrappen,
nu hij zijn laatste gat had op te knappen.
(p. 430 [VG, p. 847])

Deze bundel is veelvuldig geanalyseerd. Steeds kwam men tot de conclusie dat de bundel een dichterlijk verslag van Achterbergs weg door de psychiatrie was.

Ook Ode aan Den Haag (1953) vormt een uitzondering:

Den Haag, je tikt er tegen en het zingt.
In de passage krijgt de klank een hoog
weergalmen en omlaag een fluistering
tussen de voeten over het graniet;
rode hartkamer die in elleboog
met drie uitmondingen de stad geniet.
(p. 458 [VG, p. 832])

Toch komt Achterbergs 'u' er wel in voor:

De diepten van de warenhuizen in
ben ik op weg gegaan om u te vinden.

En nog steeds is hij van haar gescheiden door de dood. Hij kan haar net niet bereiken:

lopen wij kristallijnen paden af,

bijna bij engelen. Het is vergund
een blik te werpen in het massagraf,
leunend over de balustrade heen.
(p. 452 [VG, p. 820])

In de bundel Spel van de wilde jacht (1957) wordt verwezen naar het platteland waar Achterberg vandaan kwam:

Er is een cosmisch, onbegrensd verblijden.
Ik kom weer bij m'n eigen oorsprong aan
(p. 489 [VG, p. 873])

Er zijn gedichten over het personeel op een landgoed, zoals de 'Jachtopziener', de 'Tuinbaas', de 'Rentmeester', de 'Chauffeur' en de 'Huisknecht':

Meneer al wakker?, vraag hij opgeruimd.
Dienstvaardiger dan ooit komt hij getreden
tot bij mijn stoel, met zijn bestaan tevreden
en heden wel bijzonder goed geluimd.
(p. 491 [VG, p. 876])

En de bundel behandelt ook het werk op het landgoed:

Wel wordt er soms een bosperceel geveld
en planten ze weer jonge bomen aan.
(p. 488 [VG, p. 868]) 

Postuum is de bundel Blauwzuur (1969) uitgegeven. Tijdens zijn leven is dat niet gebeurd, omdat Achterberg vond dat de gedichten in deze bundel niet bij de rest van zijn oeuvre pasten. Het zijn gedichten over zijn tijd in psychiatrische instellingen:

Inktzwart loover loopt over grijze paden
en woekert gierig met het dunne licht
dat op de bodem staat van dit gesticht,
vergeten door de nachten en de dagen.
(p. 211 [VG, p. 966])

Ze geven een beeld van zijn beleving van de inrichtingen:

Onmacht en rechtloosheid ontbinden
de ziel, die langzaam onpersoonlijk wordt.
Zoo zal ze beter passen in het blinde
systeem van kaarten dat zijn kasten torscht.
(p. 239 [VG, p. 979])

Ze geven ook een beeld van de wanhoop waaraan hij ten prooi viel:

Beter voor mij, als 'k viel en brak mijn nek.
Of stortte mij voorover in dit mes.
(p. 80 [VG, p. 972])