'Mijn eerste grote liefdes in de kunst zijn poëzie en toneel' zei Robert Anker in een interview met Kester Freriks (NRC Handelsblad, 12 juli 2002). Op de middelbare school schreef hij cabaretteksten en gedichten en tijdens zijn studententijd kwamen daar ook toneelteksten bij. Er waren plannen om samen met vrienden een theatergezelschap op te richten, compleet met muziek en geuren. Hun grote voorbeelden waren Beckett en Artaud, schrijvers die een intense en rituele vorm van theater voorstonden. Des te groter was de desillusie toen zij een voorstelling van Artauds Les Cenci (1935) bezochten: het toneelstuk was veel conventioneler dan ze hadden verwacht.
De toneelstukken die Anker in deze periode schreef, werden nooit gepubliceerd. Zijn poëzie wel: er verschenen gedichten in zowel De Revisor als Tirade.
Waar ik nog ben
In 1979 debuteerde Anker bij uitgeverij Querido met de bundel Waar ik nog ben, waarin de natuur als grootste inspiratiebron fungeerde:
Ik zag laatst een reiger staan,
zijn loden panden naar de sloot gekeerd.
Hij sliep niet want,
althans de hals droeg schuin omhoog
de snavel evenwijdig aan de grond.
Achter zijn rug stroomt water,
lissen bloeien in het riet
en hij bevist de grassen van de polder.
(p. 20)
De ekster, de reiger en de kraai staan centraal in cycli van korte natuurobservaties, die echter niet zo eenduidig zijn als ze op het eerste gezicht lijken. Ankers werk past daarmee in de stijl van De Revisor: poëzie die volgens de dichter bijna iets religieus in zich heeft. De gedichten, die doen denken aan het werk van Chris van Geel, verwijzen volgens Anker naar iets diepers dan wat er staat. Zo kan de ekster gezien worden als een symbool voor de menselijke ziel:
Het zoemen in de wind
trekt rond hem op
tot stilte.
Winter.
(p. 30)
En:
Als danser doelbewust is hij
op weg naar
wit
(p. 31)
In de eerste afdeling, 'Hout', worden de vele vormen van hout getoond. Zo kan een timmerman er een huis van bouwen voor zijn gezin, maar hij kan er ook muziekinstrumenten van vervaardigen:
Hout is nog geen cello
maar groeit onder de hand:
boven-, onderblad gevormd om pijn
te doen het klankgat.
Cel die naar de diepten voert
wat door snaren wordt beroerd
slaat zich als klank uit vezels los:
die Geige weint in eigenem Ohr!
(p. 12)
In de loop der eeuwen heeft de mens vele doeleinden gevonden voor het gebruik van hout, zo blijkt uit het slotgedicht van de cyclus (een sonnet, hier deels geciteerd):
Vroeger verstookte je ieders hout.
Niemand dacht er om behoud.
Met rook in je kop, in groei verstout,
boog je nog alle kanten op.
Toen kapte je hout om scheep te gaan.
Een zee bood zich in vissen aan.
Pas van diepte bewust, ging je bestaan.
Je koers stond loodrecht op de kust.
(p. 14)
De gedichten in het laatste deel van Ankers debuut, getiteld 'Schepen, de rivier', gaan over tijd en het verstrijken ervan.
Wij zijn de stroomversnellingen voorbij,
rivieren werden kanalen,
onze schepen groter onze schuld
bij bank en dromen.
En:
Aldus, allang uiteengeslagen,
komen wij van het water
op de kant geraakt elkaar wel tegen.
Er wordt veel gezwegen.
Vroeger was er minder regen.
Zo wordt het later.
(p. 46)
Van het balkon
Vier jaar na zijn debuut publiceerde Anker Van het balkon (1983). De bundel begint met het gedicht 'Nieuwjaarsdag'. In dit gedicht rijdt de ik weg bij zijn ouderlijk huis. Het is donker en hij ziet zijn ouders 'in een donker raam'. Hij is bij hen op bezoek geweest en windt zich weer 'langzaam los' van de ouderlijke zorg en zijn geboortedorp. Op weg naar huis rijdt hij 'Holysloot voorbij, de brug op' en de stad in:
Ik woon in een verlichte straat,
een bovenhuis, op toekomst ingericht,
vergeet ik thuiskomst en dat weet ik.
Hier.
(p. 11)
De afdeling 'Uit het dorp' sluit aan op bovenstaand gedicht. De gedichten bevatten herinneringen aan het dorpse leven. De titels van de gedichten bestaan uit merknamen van onder andere voertuigen en slaappillen. Dingen die de herinneringen aan vroeger oproepen, zoals de tractor met toebehoren van Steketee in 'Massey Ferguson':
Ik maak mij stil, klim in de watermolen.
Wat tussen lagervet en verte lijkt
te zijn, wil inzicht zijn, was toen gewoon
het uitzicht. Mijn hoofd was leeg, de zon brak in.
Steketee droeg mij door alle weiden
naar deze binnenkamer, waar ik graas.
(p. 27)
In het laatste gedicht van de reeks 'Seigneur?' is de ik weer thuis na een reis.
Herinnering zwerft als een ziekte door het huis
(witte zeilen, blauwe zee, jij!).
(p. 38)
Hij kan zijn draai niet vinden. Uiteindelijk gaat hij in een leunstoel voor het raam van het souterrain zitten en opnieuw mijmert hij over vroeger:
Water ruist in buizen om mij heen.
De tuin is groen. Zo was het vroeger.
Ik oefen dus voor oude man.
De bel staat af. Ik hef mijn glas.
Adieu. Ik schrijf nog wel.
(p. 38)