Uier van t oosten
De tweede bundel Uier van t oosten verscheen in 1970. Het doel staat de dichter nog ongewijzigd voor ogen, ook al heeft hij oog voor wat mooi is:
Zeker, wonderbaarlijk mooi is het zachte,
Van kattevachten, van doodstil groen gras.
(p. 82)
maar belangrijker is iets anders:
Grof heer, ik bezing het vertrapte dat ontwaakt,
de zolen waarop zich geen gek verwief; onkruid;
de wolk; de regenworm die landschappen omdraait...
de vloer van de aarde, dat is: de moede drager!
(p. 83)
In 'De vuilnistrein' zegt hij:
Dit zijn de verschrikkelijke stapelplaatsen van tijd'
(p. 88)
en:
Aangaande verkrachting en schatten fakkels van sagen
flakkerden over het varkensgras, roemrijke
kattestaart, de berk die zich draken herinnert...
(p. 88)
Het is nog steeds een wereld waarin hemel en hel lijken samengesmolten:
de maan een dronken, sluipende zon
(p. 91)
De beelden zijn direct, eenvoudig en effectief. In een gedicht over 'cross-country', een herinnering aan 'hals & zadels van 1950', vol hoeven, jockeys, landeigenaren en 'kreunende laarzen', gaan de heren uiterlijk over tot een andere vorm van vermaak: 'de heren naderden de dames'. Intussen 'maalden' de renpaarden de haver, lag de 'feodale haverakker' zwart onder de maan en:
de boeren sliepen zwaar als hamers
(p. 94)
Enerzijds protesteert de dichter tegen dat feodale, anderzijds weet hij ook dat hij kan wachten op hun ondergang:
De hazen uit je jeugd zijn dood.
Hun snelle lopers. Hun jagers ook.
de pan waarin zij braadden schroot.
en dit memento mori wordt als liedje gepresenteerd:
Ik zeg de hazen, de jagers, de hazen
uit mijn jeugd zijn dood, zijn rook.
Hun laarzen en hun snelle loop.
Gillende jaren, neerstortende jaren
je jagers, je hazen zijn dood.
(p. 97)
Weemoedig klinkt het, des te weemoediger, omdat overduidelijk is dat de hazen toch al een kort leven hadden en bedreigd werden door jagers en braadpannen, die nu met hen de herinnering zijn ingegaan. De mens is weliswaar een dier, maar een jagend, vernietigend dier:
Uit zee
de haai en de kwal in zich
kwam de mens vervaarlijk
gehoornd stormende
over de heuvels, woedende
lansdrager werd hij, geschubd
met ijzer, reminiscentie
aan zijn zeetijd, viste
hij de zee leeg, de lucht
hakte de bossen
andere verblijfplaats
en vindplaats van fabels
hakte & sloeg, sloeg & hakte
(p. 99)
De mens als een ridder in harnas ten strijde trekkend tegen de natuur, die zichzelf probeert te blijven.
het is voorjaar. een vriendelijk onweer
legt zijn voorste klauw op de horizon
(p. 100)
De gloeilampen, de varkens
In De gloeilampen, de varkens (1972) bouwde Ter Balkt zijn beeldspraak van de dichter als varken en die van varken als heelal uit.
Met goddelijk rooskleurig aars, bijna als
een paleis, verft het varken de mooi paar-
lemoeren modder van de boomgaard, een
parel in de tachtiger jaren geplant.
Puntig als een toren zijn oor, is een poort
romaans van oorsprong zijn snuitje met twee
kijkgaten voor zijn heilig lijf, kosmos waar
sterren! kometen! fonkelen wel 1000 karbonaden.
(p. 121)
Na de slacht ziet het varken er anders uit en komen die karbonaden angstig nabij:
Hij is uitgestrekt als het oude Pruisen.
Een opgehangen stormwind, die zijn zes
mooiste bloedigste ribben tokkelt en slaat,
en een klok van vlees de tijd uitsnikt.
Sterren verbleken bij de zang van t varken
(p. 126)
en die zang doet Ter Balkt denken aan de gedichten van de Rus Jesenin en aan de blues uit 'boomgaarden in Memphis'. Het varken herinnert zich de mens vooral als een van de 'oneetbaren' (p. 127). In de 'Elegie van de varkens' staat:
O jammer van de getemde
varkens, zij zijn de dichters onder de dieren,
melancholiek en van weinig nut totdat aan de muur
afgebrand, hun speklaag openklapt als een elegie.
(p. 128)
een speklaag die eerder werd vergeleken met 'zijn wondere inwendige sneeuw, zo diep, zijn bergbeklimmersinnerlijk' (p. 126). Behalve Jesenin draaft ook een andere revolutionaire Russische dichter op: Majakovski.
Majakovski's hoofd is een hakblok, een deur
(p. 132)
Het is een Majakovski-achtig, woedend gedicht vol scheldwoorden en botsende beelden over die 'aasschrijvers', die 'kraaiesnavels', die 'jeremiëerder'. Het is de 'Zonderlinge verschijning van de schim van Vladimir Majakovski aan de gierkarrijder Foel Aos op een kruispunt in Usselo, Overijssel' (p. 131-135). De gezamenlijke conclusie luidt:
Zwijgen is haast alles, alleen de hemel weet waarom.
(p. 133)
Groenboek
In de volgende bundel Groenboek (1973) worden behalve varkens ook de aardappels met andere ogen bekeken dan in gedichten het gebruik is (als de dichter al een woord als aardappel gebruikt). De Rode Ster bijvoorbeeld:
De oude aardappel genaamd Rode Ster
inmiddels weggepest van de velden,
klaarblijkelijk een te revolutionair ras,
schonk in vroeger tijden varkens rondheid & gloed.
(p. 144)
Ook 'Straatgras' kan op zijn solidariteit rekenen:
Ja, ik geloof, vernuft van de mens
gaat de bloem en straatgras te boven
Het stamper- en meeldradendom
in de berm bouwt geen kathedraal
(p. 155)
erkent het straatgras zelf, want Ter Balkt voert het gras sprekend in en het gras spreekt de mens aan:
Jullie, zonder bladgroen, spraak
jullie eigen, zinnigheid, geilheid:
bij vuur gezeten, groen ontstegen,
doof voor het golven van het gras
(p. 155)
De herhaling past Ter Balkt ook in deze bundel nog met regelmaat toe, soms zelfs onmatig, zoals in 'Aan de groene knolamaniet':
Tape van de regen zou hem verlinken:
[Red mij van mijn duistere wandel
Red mij van mijn duistere wandel
O red mij van mijn duistere wandel]
(p. 156)
waarmee niet alleen de dichter Hans Lodeizen wordt gememoreerd, maar ook een Tibetaans gebed.
Iconen
In de bundel Iconen uit 1974 komt de geschiedenis als bron voor gedichten steeds duidelijker naar voren, zoals in 'In Oud-Egypte (4)':
De leeuw een traan
De ibis en de zon zijn tranen
Ieder teken een traan
(p. 168)
Daardoor komt de moderniteit ook in een helderder licht te staan en spelen '70 Wattslampen' (p. 169) hun rol op een wijdser toneel. De lezer heeft inmiddels een uitgebreid scala uitroepen aan zich voorbij zien trekken, zoals 'Hoei!', 'bis' en 'Ai ai' (p. 170), 'oei' (p. 267), 'o' (p. 173), 'oi' (p. 176) en 'o ja!' (p. 218). Nederlandse dichters zijn met dit soort spreektalige uitroepen en tussenvoegsels doorgaans niet zo scheutig als Ter Balkt, die ook het uitroepteken vaak van stal haalt. Een andere eigenaardigheid van Ter Balkts poëzie is de frequentie van onomatopeeën, zoals 'grr' en 'krr' (p. 154), 'Hommmk hammm hommm haammmm' (p. 217) en 'Kraak, krak!, krak, krak' (p. 255).
Het inlevingsvermogen van de dichter is misschien moeilijk na te volgen - er zijn geen getuigenverklaringen van de dingen, de dieren en de planten, maar zijn vereenzelviging met varkens, straatgras en zuivel zijn overtuigend:
Haas op de woordheide, schreef Wolfram. Onder gloei-
draad, hei in vazen, verbeeld ik mij hoe ik dikwijls
als ui neerlag onder blikkerend keukenmes, tranend oog;
opziend in oogopslagen, zoete, dappere en ijzig; zo
rolt en ligt soms een ei, sprakeloos van ontzetting
want zijn kippekont ontviel hem. O arme dingen!
(p. 174)
Dat verklaart wellicht ook het realisme dat Ter Balkt vasthoudt temidden van al zijn melancholiek geweld:
Met elk seizoen komt huiver
(p. 176)
met messteken, kaken, plagen, grafschrift en laster. De dichter zelf heeft naast het landschap van zijn uithoek:
In de uithoek zijn de mensen slaperige stuivers.
(p. 180)
ook het lanschap van Wales ontdekt en in zijn hart gesloten:
De welluidende namen
Aneirin, Howel Dda, Owain Cyfeiliog,
staan nu op ijswikkels en op de hotels
Glorie vloog uit Aberystwyth heen
Drie draken op het huis van Morgan & Jones
Aan de kade grijnst een rotte haai
(p. 182)
Ter Balkt blijft een dichter die in een strofe geraffineerd door associaties van het éne beeld naar het andere navigeert, zoals van keuken naar gebraad en van gebraad naar de onstuimige zee. Bij elkaar ontstaat een indruk die de afzonderlijke beelden nooit zouden geven.
IJsland, een lange lierzang is mijn stem
in de blij dampende keuken; gebraad
van nachtelijkheid stampt voor de vensters.
(p. 184)
en we zijn als lezer mee aan boord op weg naar IJsland.
- Lees verder over H.H. ter Balkt: 1975-1980: "Oud gereedschap mensheid moe"
- Terug naar Introductie