Oud gereedschap mensheid moe

Een van de bekendste gedichten van H.H. ter Balkt komt uit een nieuwjaarsgeschenk van zijn uitgeverij De Harmonie in 1975. Het gedicht is 'Oud gereedschap mensheid moe', en reikt de lezer een spreuk aan die af en toe gemompeld moet worden, als iets stuk gaat, als iets vergeten is, als de rommelzolder het begeeft, of als de lezer zelf is zoekgeraakt, verdwaald, versleten, maar weet dan:

Oud gereedschap ver van huis
bedenkt geen rondeel om te klagen.
Oud gereedschap huilt niet in het donker

lange weg, lange lange weg
en zingt geen blues want heeft geen stem.

(p. 187)

maar de sterren vertellen het gereedschap om zich gereed te houden en ze zeggen dat 'in de naam van wie naamloos stierven' en 'in de naam van wie akkergrond werden in hun akker, van wie afgrond werden' en de tijd zal komen 'van wie oud gereedschap opneemt':

Oud gereedschap mensheid moe
ver van huis, oud gereedschap dat je heersers
overleefde, oud gereedschap ver van huis,

het is tijd voor andere meesters
het is tijd voor eenvoudige beweging
(p. 188)

en die tijd voor eenvoudige beweging lijkt een reminiscentie aan de poëzie van de Vijftigers en hun adagium: 'de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij' (Lucebert). Maar een eenvoudig omkering daarvan is het niet, want Ter Balkts 'eenvoudige beweging' is die in hoofdletters:

VAN DE SLAG RECHT IN HET GEZICHT
van die alles in vuur hebben gezet
langs de weg. Langs de lange lange weg.
(p. 188)

Net als de sterren vertelt ook de aarde een verhaal:

Een grote trom van anekdoten is de grond.
(p. 190)

en terwijl de eg was ingescheept voor 'een reis die niet komt' wordt hij opgemerkt door de dichter die stilstaat 'om te zien hoe hij hing of hij schommelde', als een 'spotter', 'zoetjes rottend':

Nee, geen tederheden, verbannen diepte.
Hang maar langer, daal niet af, bedenk er
stonden er veel meer tegen de muur, eg.
(p. 190)

Het 'Rondeel' over oud gereedschap, waarin Suster Bertken werd genoemd, heeft Ter Balkt later niet opgenomen in de verzamelbundel In de waterwingebieden, zie hiervoor het profiel over Suster Bertken. Van de nieuwjaarsuitgave is het gedicht 'Stoppelvelden' een bewijs voor Ter Balkts betrokkenheid bij de aarde zoals die in het verleden werd bewoond:

Het stoppelveld was er wanneer de herfst kwam.

en:

Het stoppelveld vermengde als een stokoude
alchemist de twee werelden, van de oogst en
het roemloze einde: de herfst; bittere baard-
groei van de ontgoochelde kunsten; de regenval.

en:

Hoe winkelhaakten hazen en ketsten de schoten
op het rottende stoppelveld waar de winden
overheen ruisten als bruine uilen. Niets stak
filosofie meer naar de kroon dan de laatste

schoven, achtergebleven op t geel stoppelveld

Er is niet veel filosofie in de slotregels van het gedicht, wel veel sentiment:

stoppelveld, hoe herkende ik toch zo vroeg al
in jou mijn troosteloos leven & regenachtig einde.
(p. 191)

Helgeel landjuweel

Met de bundel Helgeel landjuweel uit 1977 namen de historische gedichten toe in aantal. Hoewel soms zakelijker beschreven, werden de herinneringen aan slachtingen er niet minder gruwzaam om:

Duisternis aan de galg onder de sterren,
Rook en heksen vlogen aan uit de verte,
Honger en knechting kleurden de heggen,
Waar moesten wij dan ons hoofd neerleggen.

want de tijden waren ook vroeger niet rooskleurig:

Vrekken en gekken verordonneren de wetten

en wie tekeer gaat tegen de 'slechting', wie tot de 'vermetelen' behoorde had geen rustplaats:

Gekken. Stilzitten bracht ons geen redding,
Raven! Jullie vleugel was die van de wetten,
Graven, jullie waren t waarop zij wedden,
Die ons rechtelozen wilden laten vertrekken.
(p. 208)

Sommige van de door Ter Balkt beschreven gebeurtenissen hebben een voetnoot nodig, zoals het gedicht over de slag bij Oosterweel (voetnoot op p. 211). Andere gedichten hebben bekende opstanden of organisaties tot onderwerp, bijvoorbeeld het gedicht 'Hitte, hitte (2)' over de Oostindische Compagnie die zich van het gemor niets aantrok omdat het klonk als een

fluittoon van stilte
in 't Oostindisch Oor van de Compagnie
(p. 214)

De moderne tijd is in deze bundel onder andere vertegenwoordigd met gedichten over vrachtvervoer:

met hun kalme runderdraf sjokten
de opslagtanks Interfrigo, Rook, Conbugaz
langs de listige wissels, klaver en distels
gemaaid, vlierbomen droef de wagons
naogend: zij wel en wij niet want wij
wortelden
(p. 228)

Een volgende reeks (apart verschenen in een bibliofiele uitgave) Katten bouwden de kathedralen (1979) zegt over moderne machines:

Ik woonde toen in een land
waar de aardappelsorteermachine kwam.

en dat was bijzonder:

't Regende altijd als hij kwam
of hij voortbewogen werd door die regen.
(p. 236)

maar ook de slimste machine verdwijnt met de jaren, maar blijft in de herinnering verbonden met het weer:

Ik betreur hem niet, de aardappelregenmachine.
Ik denk soms aan hem.

Hij was de gedeukste onder de werktuigen.
Parcival: bespot door 't elegant etgras.

Maar de wolken hadden een zwak voor hem
en de regen haalde hem in als een hoeder.
(p. 237)

De machines hoorden bij het landschap, in tegenstelling tot de steden waarin de dichter zich een volstrekte vreemde voelt. Over een bezoek aan Londen schrijft hij 'Waterloo Station, Londen':

Mijn maag is een carillon
in Londen. Alle containers
roepen naar de windstreken
'Geen dichters meer!'
(p. 243)

en het station zelf is een onpersoonlijke ruimte, die hoe druk ook eigenlijk altijd leeg is:

Het station morst
zonder ophouden tabak
en menigten, als een dennebos
vogeleitjes en naalden.
(p. 244)

en:

Alles is doorgang.
Alle is ijlen.
Alleen de passage
is blijvend.
(p. 244)

En de dichter?

Je was een druppel
stromend kokend water
in de nerven en waterraderen
van Waterloo Station.
(p. 245)

De dichter kan het toch niet laten om het station te zien als een levend organisme met bladeren en nerven of als een goed geoliede machine. Heerst in dit gedicht het tempo en de massaliteit van het moderne bestaan, in sommige gedichten schiet de klok honderden jaren terug, zoals in 'Overal stoepen: stoepranden', waarin vrachtwagens rondrijden met een 'chauffeur uit Neandertal' om het verhaal van een botsing te vertellen (p. 246). Geen wonder, overigens, dat een dichter met zo'n hang naar het verleden een ode schreef aan de Enkhuizer almanak, waarin:

Kermissen en watergetijden,
inktvlekken in transuranen.
De meermalen bekroonde
reportage van de Opstand.
(p. 261)

De enjambementen zijn er niet in de eerste plaats om het rijm te verdoezelen, want dat treedt bij Ter Balkt, als het er is, schaamteloos en met plezier aan de dag. Het lijkt eerder bedoeld om het gedicht voort te stuwen van regel tot regel door de spanning te verhogen, de vaart er in te houden en de regels tot een geheel aaneen te smeden:

Weghollen kon je niet. Doeken
dekten het raam af. Hanen
riepen over de oude wereld
onder een kap van vilt. Hazen

hadden al besloten te vluchten
omdat je lot ver van huis was,
omdat het naar gas rook
in velerlei keukens van leem.
(p. 264)

Via 'hanen' en 'hazen' wordt de aandacht snel doorgesluisd naar de volgende regels en dus afgeleid van het voorafgaande. Die verhoogde concentratie voor wat volgt wordt in de slotstrofe via vluchten gebracht op 'omdat' en dat woord vooraan de regel is blikvanger genoeg, zeker als het ene regel later herhaald wordt, waardoor de lezer in no-time belandt in de 'keukens van leem'.

Over de spookachtigheid van het landschap schreef Ter Balkt al in zijn eerste bundels. Ook in de reeks 'Onze hersens die in het hoofd zijt, bid voor ons dat het niet afvalt' uit 1979, een titel waarin God is vervangen door ons eigen brein, is het landschap soms bedreigend:

Mist op je velden; kramen
sleten waanzin aan

je pimpelmezen, pikkend
in je blauwe maandagen.
(p. 272)

Dit landschap is mistig en waar mist is, speelt onzekerheid en daar loert gevaar:

Gratis druppelden almaar
ziektes uit de kranen.
(p. 272)

en:

Messen pelgrimeerden, loerend
onder hun kappen.

Messen eerden de slijpsteen
bij de wegwijzer die hoedt.
(p. 273)

En de dichter notuleert en waarschuwt:

Onzichtbaar, gramstorig
hamerde een of andere bijl.

En boven het moerland
ritselden geesten.

Dit alles was
lange tijd gaande.

Maar bind liever de messen,
anders vliegen ze wéér.
(p. 273)

Maar datzelfde landschap kan ook worden gezien als ons innerlijk en ons innerlijk voelt aan als een landschap. Daarin zit de kracht van Ter Balkts gedichten.

Kraakbeenbruggen over, heuvelkammen

van merg met vetten ondergesneeuwd, langs
de ruiterbeelden van de pijn trokken
legers en zwermen, door de zenuwvoorden
in je inwendige landschappen en kavels.
(p. 276)

en je wordt als koud ervaren, maar klagen moet je niet:

Want in je kamers, allengs zoveel stiller
lachten nog maar weinigen, weinigen.
(p. 276)

De remedie lijkt zo simpel:

Gedenk de reiziger, gedenk de stemmen
die langzaam verkleumden in al je dalen.
Centrale, stuur een hoger voltage
door de draden, laat warmte waaien.
(p. 277)

Zoals ook in, na al die warmte onmisbaar, 'Het hart':

Vruchten! Markten! Zoveel
landschappen en doorbuigende tafels.
(p. 281)

Ook in die landschappen Ter Balkts stoet van beelden en uitbundige opsommingen:

Bewijzen; bekentenissen; voetstappen.
Plunderingen; noodzaken; spitsheden.
(p. 281)

En dan is er natuurlijk ook het landschap als spiegel:

Overal nam ik de razende toorn waar,
halverwege terugkerend naar mijn weg.
In de bazars die raspen verkochten;
in de stofhoeken van bioscopen.

en (in bijbelser snit):

Toorn in het suiker; het zout.
Toorn, een toorts in het oogwit; stil nog.
Toorn aan de bosrand, in braamstruiken
doornen ophitsend naar de voetstap.
(p. 288)

en na enige aarzeling komt de slotstrofe van 'De razende toorn':

Er was stille woede vanwege het wachten;
er huisde wreedheid in de stilste,
de allerbeleefdste knoppen en holen;
alles vanwege de verstreken wachttijd.
(p. 289)

Die toorn hangt samen met politieke protesten, zoals die tegen de kerncentrale van Kalkar. In een gedicht daarover wordt de centrale vergeleken met bijenkorven en de opgewekte elektriciteit met nectar:

In Kalkar wordt de bekroonde nectar
van de allerspeciaalste, geheimzinnigste
elementen, kostbaarder dan bloed, ruw
beschermd tegen inkijk in de korven.

4000 helmen verbieden de zang
tegen de gele raten van Kalkar.
Marechaussee fouilleert de gitaren;
stroom en rede keren weer van de grens.
(p. 291)

Ook de vervuiling van de zee leidt tot protesten en tot voorspellingen voor de 22ste eeuw:

In 2181 of 2190
schokschoudert de visarend
boven de Far Oer of Schotland

breekt als glas de visarend
lichtgevende rode forel
aan zijn lichtgevende klauw
(p. 295).