Hemellichten

In 1983 verscheen de bundel Hemellichten waarin een gedicht over een potvis versus provincialisme:

Klepels en harpoenen schaduwen hem
Tussen de polen en de evenaar
vervoert hij kosmetische wrijfsels
voor meisjes wachtend bij 't busstation
Oceanen zijn provincies voor hem
Hij duikt dertig straatwegen diep
(p. 305)

Het lijkt erop dat Ter Balkt zijn tijd verdeelde tussen historische gedichten en protestverzen, waarmee hij aantoonde dat het hem bepaald niet om nostalgie ging, om een terugverlangen naar vroeger. Het ging hem er om dat het leven, en zeker het landleven, niet in cijfers uit te drukken is, dat het geen voer voor economen is, dat bijvoorbeeld de boer geen producent is. Het ging om 'Waarheid, Bewustzijn Geweten' (p. 409), zoals Wiel Kusters ooit vaststelde: 'het ware, het schone en het goede'.

In zijn protesten sprak hij over de grond in sparrenbossen nadat zure regens die aantastten:

Arme, arme grond!
Geen dak om onder te liggen
dan het blauwe lekkende dak,
het naaldenregenend plafond.
Beuk en linde in 't houtvuur.

Gasbuizen als luitsnaren
om zijn schouder, tokkelend
op een oliedruppelend motorblok
zwerft de grond radeloos rond,
'Lief mos ik wil naar huis'
(p. 307)

Het consumentisme nodigde hem uit tot een gedicht over een 'Elektronicawinkel' waarvan de eerste twee regels aan H. Marsman herinneren:

In wasautomaten in eindeloze rijen
en ijskasten als poppekasten rechtop
hurken de buikdanseressen van de centrifuges
en toneelspeelsters met een diepvriesziel

en:

Stereo-torens staan er doezelig bij
als dure call-girls in nertsen van chroom
(p. 325)

Verkeerde raadhuizen

Voor de bundel Verkeerde raadhuizen die in 1986 verscheen, schreef H.H. ter Balkt over Praag en Wenen en over kerncentrales. De titel Verkeerde raadhuizen wordt meteen in het eerste gedicht duidelijk gemaakt:

Verkeerde raadhuizen, zijn
Alleen maar verkeerde raad-
Huizen; ook goede raadhuizen
Zijn de verkeerde raadhuizen

want er zijn geen goede raadgevers:

Alleen je eigen bleue hals
Draagt het goede raadhuis dat
Misschien het verkeerde maar
Toch het enige raadhuis is
(p. 337)

In de volgende gedichten wordt verklaard dat alle andere raadgevers te veel van je verschillen om je van advies te kunnen dienen:

Jou vreemde houthakkers passeren 't raam
Zelfs de voorgeschiedenis van de nerf
in de doordrenkte tafel kruist nergens,
waarschijnlijk nergens... de jouwe
(p. 340)

En dat terwijl een adviesje op zijn tijd geen kwaad zou kunnen. Er is te veel ontzetting om je heen tenslotte, zoals Ter Balkt in de volgende gedichten laat zien:

De ontzetting van de gast die toen kwam
De ontzetting was vuur dat stilte maakte
De ontzetting was de uitdrijving van het licht
Zoete maan door een dwaalzon verduisterd

en hoeft niet eens een bombardement te zijn, het kan ook anders:

De ontzetting was rode lippen die plotseling
Afvielen; als celluloid brandden

en:

Een vlak landschap dat in gebergte verandert
Een mooi hoofd waarop onverhoeds de schaduw viel
Van de temende asgrauwe lepelaar
(p. 347)

De wereld die Ter Balkts in zijn vroegere gedichten als sprookjesachtig beschreef, grimmig weliswaar maar vol schoonheid, komt in deze gedichten naar voren als een brandhaard:

Deed ik er verkeerd aan te leven?
Als de lucht kon spreken zou hij schreeuwen
Als de lucht kon spreken zou hij schreeuwen
(p. 350)

In deze bundel vol ontzetting richtte de dichter zich dan ook 'Aan de kerncentrales' en schreef hij gedichten die misschien over duizenden jaren 'in een ver sterrenstelsel' teruggevonden zouden kunnen worden als enige teken nog van onze beschaving.

Een klaagzang over de giftige metalen
(p. 366)

moet aangeheven worden. In het gedicht 'Aan de kerncentrales 1' staat het 'kwikdoorlatend radiostation aan de Waal' en het gedicht mengt de Egyptische cultus van Osiris met de ongezonde radiatie van de twintigste eeuwse techniek. In de gedichten 'in een ver sterrenstelsel gevonden' volgt een prachtige opsomming van wat er achterbleef op de verder verlaten aarde. Ook wordt opgesomd wat de vluchtenden hebben meegevoerd:

Wat we meenemen konden namen we mee
De blauwe vinvis en de mammoet
Een goed geconserveerd woud
en allerhande vegetaties

maar dat is wel heel ironisch: de mammoet was al uitgestorven en er is geen goed geconserveerd woud meer over. Hebben de vluchtenden alleen de herinneringen daaraan meegenomen? We hebben ook voor hun reis tenslotte een tijdschrift als een encyclopedie meegevoerd:

Alle teksten ooit geschreven, bijna alle
De 375 jaargangen van de Times, opgeslagen
in doosjes groot als moskapsels

en wat bleef er achter?

Wat achterbleef was het astatium
't verrijkte uranium, 't doodhoofdstaal,
stampende machines los van hun ketting
(p. 368)

en inderdaad is niet alles meegenomen:

de uitgestorven exemplaren op video, dat spreekt
(p. 369)

Maar de ruimtereis is niet voorspoedig: 'Sterren lachten over ons' en 'sneller dan het licht kan vliegen vielen wij in de draaikolk'. Er zijn dan nog 4000 van de 80.000 reizigers over en hun taal desintegreert.

Drie toorens braaken af
Ik schrijf dit,
Nee ik zeg dit
De vertaalmachines zetten wij overboort
en de mammoetkudde
Het museum van ver
Toen wij de vertaalmachines overboort dungden
riep zij OK OK en nogeens OK;
telkens weer OK, OK
(p. 372)

Het volgende gedicht is geschreven door iemand die wel de woorden tegen is gekomen en nu gebruikt, maar die duidelijk nooit echt Nederlands heeft geleerd; een mengelmoestaaltje. Het zijn allengs onbegrijpelijker zinnen vol verkeerd gespelde woorden, zoals:

Wij weeten niet wat het meent

Wij zijn glaas van de aarda
(p. 374)

In de bundel Aardes deuren uit 1987 gaat de versplintering van de taal verder. Ook lijken de gedichten minder samenhangend te zijn, al is er altijd een samenbindende thematiek. Tussen de gedichten in strofen zijn er ook enkele proza-gedichten ('In een door en door koud vliegtuig'). De kosmische blik is gebleven, zoals in het gedicht opgedragen aan zijn vrouw Wilhelmina (Willemien) Wijbranda:

Regenbogen verdringen zich voor het raam
Zeeën verdringen zich onder haar voet
Zij draagt een glas water de trap op
(p. 391)

Maar oude vormen worden niet losgelaten; Ter Balkt gebruikt met evenveel plezier een oude rederijkersvorm:

Komt de honing komen de vliegen
Komt de zee komen haar drinkers
Komt de gast komt de messtekende waard
Komt de lelie komt de lelietor

en:

Komen de wagens rijdt het vijfde wiel
Komt de vrede stort zich de valk neer
Komen de vlammen komt de fluistering,
En verlaten wij de grijze ruïnes aan zee
(p. 411)

Ook tussen de scherven en ruïnes zijn nog heldere beelden:

De adder is boekenlegger
tussen twee bladzijden van steen
(p. 415)

Het gedicht 'Geslaakte zuchten' is een overzicht van de losse scherven, waarvan één luidt:

Het woord wist uit, en verbeidt.
(p. 426)

In de kalkbranderij van het absolute

In 1990 publiceerde Ter Balkt de bundel In de kalkbranderij van het absolute. En daar staat het beeld de Atlas Slaaf van Michelangelo:

onaf, onaf; wat af is dat is al onaf
en zeker geldt dat voor wat onaf is;
vaak overtreft wat onaf is wat af is
(p. 489)

In een ander gedicht over Florence wordt de kracht van de poëzie aangegeven:

Kijk nu wat de zoon overkwam, scheuring, o
de kracht van het beeld zit niet in 't verhaal

maar in de spieren van het gesteente, zo-
als de spot van 't vers joelt in de beenderen

van de regel en niet in 't vet van druppelende
adjectieven, kroonluchters, adjectieven
(p. 490)