In 1964 verscheen de debuutbundel van H.C. ten Berge, Poolsneeuw. De paginanummers verwijzen, tenzij anders vermeld naar de in 1964 verschenen eerste druk van deze bundel. Deze werd later herdrukt in de verzamelbundels Gedichten (1969) en Materia prima (1993).

De titel van deze bundel verwijst al naar een belangrijk thema: de kou. In een autobiografisch essay beschreef Ten Berge hoe hij in de zeer koude winter van 1963 leefde in een houten hutje zonder fatsoenlijke verwarming. 'Sinds dat jaar is het motief van koude, het wit en de leegte nooit helemaal afwezig geweest in wat ik schreef' (Berge, 1987, p. 27).

Het openingsgedicht is dan ook getiteld ‘Onherbergzaam’. De inversie in de beginregels is een techniek die in Poolsneeuw zeer vaak, bijna consequent wordt toegepast.

Zwart wit als liefde
Als nijd het gedicht is
Rukkend of moe
Maar niet mager van teder getater
( p. 7)

Het spelen met de taal, de opeenvolging van alliteraties en assonanties in ‘Maar niet mager van teder getater’ is een element dat in de hele bundel terug blijft komen. Dit heeft te maken me Ten Berges opvatting dat ook het fysieke aspect van poëzie aandacht verdient. Niet alleen de klank, maar ook de tactiele sensatie bij het uitspreken van de woorden. Hij pleit er dan ook voor dat zijn gedichten hardop gelezen worden, omdat je naast het geluid de woorden vormt met je eigen lippen, tong en mond (Kuijper, 1985, p. 25). Verderop wordt over het gedicht gezegd:

Gedwongen tot verweer
Tegen de wolven
Staat zijn landschap overeind
( p. 7)

Het is dus het landschap van de poëzie dat onherbergzaam is. Beschermd tegen de wolven komt de dichter wel vast te zitten in het web van de spin:

De spin zit en worgt de bewoner

Dichter in zijn web en met verfijnd gehoor
Hij luistert: het oor leest de prooi in zijn blinde beweging
(p. 28)

Het belang van klank en ritme wordt nog eens benadrukt: een gedicht lees je met je oren. Poëzie over poëzie beslaat een belangrijk deel van de bundel.

Poëzie: werkplaats
Waar goud slaat uit munt
(p. 27)

en:

Als onderaards er is poëzie
In de mens / ontgroeit zij de schors
(p. 12)

Deze laatste regels zijn in de verzamelbundel MateriaPrima (1993) aangepast:

Als onderaards er is poëzie,
in de mens ontgroeit zij de schors.
(MateriaPrima, 1993, p. 20)

Het schrappen van de schuine streep in de tweede regel, de zogeheten Duitse komma, en het toevoegen van een komma aan het eind van de eerste regel zorgen ervoor dat deze regels net een andere betekenis krijgen. De poëzie is niet langer alleen in de mens aanwezig, wel komt zij alleen in de mens aan de oppervlakte.

Ten Berge speelt ook met het verwachtingspatroon dat door taal kan worden opgeroepen, bijvoorbeeld in 'Gedicht'.

Poëzie is de kille vrouwehand
Die je wekt in de morgen
Is liefde smeden
Als zij wreed wordt
(p. 27)

Het woord 'wreed' in de laatste regel van deze strofe rijmt op 'heet'. Dat woord staat dan wel niet in het gedicht, het wordt wel opgeroepen door 'de kille vrouwehand' en door de variatie op de uitdrukking 'het ijzer smeden als het heet is'.

In deze eerste bundel zijn de verwijzingen die later kenmerkend voor het werk van Ten Berge zouden worden nog schaars. Een tweetal personen wordt met naam genoemd:

Niko pirosmani ben ik
En men treiterde mij dood

Bedenk dat wel.
(p. 11) 

eindigt een gedicht over deze Georgische schilder en de clown Grock wordt gebruikt als een masker in 'Bijtijds kinds':

Wie meent: poëzie
Is een wanhoop maskeert
Zijn gedicht in gezichten
Als grock
(p. 26) 

Aan het eind van de bundel smelt het winterlandschap weg:

Tenslotte breekt de stem, dooien
Winters weg, gruwel filtert de aarde
Tot even onder het oppervlak
(p. 33)

Uiteindelijk - in de verzamelbundel MateriaPrima (1993)  is 'Tenslotte' vervangen door 'Ten slotte' - zal de lezer aan het werk moeten om 'even onder het oppervlak' te komen.

Wie graaft zal sporen ontdekken
Van wat ongezien hieruit kon lekken
(p. 33)