In 1983 verscheen Texaanse elegieën. De nummers op deze pagina verwijzen naar de eerste druk van deze bundel die later in de verzamelbundel Materia prima nog eenmaal herdrukt is. De bundel bevat dertien klaagzangen waarin telkens Texaanse taferelen doorklinken, van inheemse dieren als ratelslangen en armadillo’s tot roze schoonmaakhandschoenen en alom aanwezige telefoons. In de aantekeningen bij de bundel gaf Ten Berge aan dat hij de bundel zelf plaatste in de traditie van het lange gedicht. Hierbij noemde hij de namen van Gorter en Nijhoff. Grote inspiratiebron voor de bundel lijkt echter een Amerikaan gweest te zijn: Ezra Pound. Ten Berge had in 1970 al een vertaling van Pounds Cantos gepubliceerd. De invloed van Pound wordt in de bundel ook expliciet erkend:
'En toch,' snerpt de poëet
Terwijl onder de banden hazen slangen wasberen bezwijken
'Was Pound mijn universiteit!'
(p. 17)
In navolging van Pounds Cantos zijn de Texaanse elegieën spraakwatervallen van associaties en opsommingen. Hierin hebben de elegieën veel gemeen met het werk van de beat-poets, net als in het protest dat uit de klaagzangen klinkt - niet een protest tegen iets specifieks, maar tegen de moderne tijd in het algemeen.
De bundel is een reis die start in de leegte:
Leeg toneel onder een grijze lucht
Tijd van afweer en omhelzingen
Verstikt gejammer binnenin
Alle woorden zijn gebruikt
Begin, schrijf
(p. 9)
Het is een opening van een auteur die tegen beter weten in begint. De lucht is grijs en alle woorden zijn al gebruikt. Hardop denkend komt de dichter tot een mogelijke oplossing:
Alle woorden zijn gebruikt–
Breek ze
En gebruik het gruis van oude metaforen
(p. 10)
Op zoek naar een concrete taal vertrekt de dichter en komt aan
In Hailey, Idaho
Kil windeweer
Het huis van Homer P
(p. 12)
Homer is de vader van Ezra Pound en vanaf diens geboortehuis volgt het gedicht het leven van deze dichter. Onderweg, in Londen, wordt de reiziger geconfronteerd met de symbolen van de moderne tijd:
Neus gesnoten, staarde
Door een ruit naar buiten.
Londen grauw. Asfalt
Nat.
Rouwrand om het raamkozijn.
Twee honden bij een knipperbol,
Een fietser met een broekeklem,
Gevelbrede lijfspreuk
Lichtend aan de overkant
HAPPINESS IS A CIGAR CALLED HAMLET
(p. 14-15)
De bittere conclusie volgt niet veel later tussen haakjes:
(‘Bij ons, mijn vriend, schreit de beschaving
Onherstelbaar voort’)
(p. 15)
Het lijkt of de beschaving voortschrijdt, maar voor wie even verder kijkt is de beschaving in tranen. De klaagzangen betreuren het verdwijnen van wat er was en nu vervangen is door een leegte. Het besef dat er eens iets was dat nu verloren is benadrukt die leegte nog eens.
Wat het oog ziet
Kan de hand niet meer omvatten,
Al wat tastbaar was
Is nu een hersenschim geworden.
(p. 23)
Die hersenschim is de herinnering, het enige dat rest, maar de herinnering – in de vorm van een foto of een gedicht – is geen volwaardig alternatief.
Je weet het is geen leven
Maar een dood
Moment dat nauwgezet
Tot leven wordt geschreven
(p. 48)
Verloren is ook de liefde en het gedicht kan daar niets aan veranderen:
Niemand zong ooit iemand uit de dood terug
( p. 28)
Zo mijmert Tramontane die in de vijfde elegie vergeleken wordt met Aristaios, een figuur uit de Orpheus-mythe die zijn honingbijen kwijtraakte. Zo als Aristaios zijn bijen heeft verloren, is Tramontane de liefde van een vrouw kwijt. Hiervoor worden weer andere klassieke namen aangehaald:
Zijn Penelope pisnijdig
En Kalypso te ver weg
(p. 29)
De honingsymboliek wordt herhaaldelijk gebruikt.
Wie zijn honing kwijt is
krijgt het maar al te kwaad
(p. 32)
en:
Ontvolkte korven stonden
in een bruin geschroeide wei
(p. 34)
De zesde elegie slingert zich als een slang heen en weer en de ratelslang speelt er dan ook een belangrijke rol in. In een aantekening achterin vertelt Ten Berge dat deze door de Hopi-indianen gevangen werd en gebruikt voor een vruchtbaarheidsritueel. In de elegie worden de slangen leeggemolken waarop een recept voor het vlees volgt:
voedzaam en ook lekker
Zei hij, ‘k zal je tonen
hoe je ’t doet
(p. 35)
Maar de slangen worden weer vrijgelaten en wat rest is een
Dichter zonder beelden
imker zonder bijen
(p. 38)
In de bundel beschrijft Ten Berge telkens aan de hand van een Texaanse stad of het Texaanse landschap een grauwe, oppervlakkige wereld.
Het gruis voor de haard. Gebroken
Wit van blinde muren. In de gootsteen grauw
serviesgoed voor de vaat.
Monologen achter niet geleegde glazen
En een brievenbus waarin geen brief
Besteld maar wel folders
van een nieuwe praatgroep steken
(p. 42)
Opgewekt zijn in deze wereld heeft iets ongepasts:
Wie zijn oog opslaat ziet buiten
Door de dunne regen hoe de dorpsfanfare
Op een lijkkoets stuit en stil de hoek om
Zwaait, terwijl fluwelen majorettes de gelaarsde
benen blijven tillen in een fletse straat
(p. 43)
De elfde en langste elegie is het nadrukkelijkst een protest tegen de twintigste eeuw. De dichter wordt verslonden door de aarde en komt terecht in
De hal van de eeuw
Die een helse provincie omspande
(p. 54)
Deze 'Stijlloze eeuw' (p. 56) is een hel en bestaat uit beelden van oorlog, vernietiging, aftakeling en dood met op de achtergrond de dreiging van een autoriteit die het protest in de kiem smoort:
en een wilde engel vraagt
Hoe kan ik zingen
Waar mijn tranen druppelen op vreemde grond?
Besnorde heren slaan haar weg
(p. 54-55)
In de twaalfde klaagzang is het de dichter zelf die de mond wordt gesnoerd.
Je stembanden zijn doorgeknipt
Je polsen zijn gebroken
(p. 78)
Een taal die veel gemeen heeft met de taal die Ten Berge in een essay over Raster gebruikte: 'Sinds de opheffing van Merlyn […] bleek een niet onaanzienlijk deel van de literaire journalistiek in handen geraakt van arrogante straatvechters die erop uit waren de vingers van een schrijvende minderheid te breken' (Berge, 1996, p. 142). De klaagzang gaat verder:
Je staat onthand
Je bent monddood
en bovendien:
Je werken zijn verdwenen
En je naam is niet bestaand
(p. 78, 80)
De gedichten hebben tot niets geleid. De laatste elegie is een opsomming van vragen die lijken te gaan over de poëzie, verbeeld als een walvis:
Werd je door haar meegesleept of voortgedreven?
Heeft ze je toen opgeslokt en ingesloten?
Hoeveel zeeën welke stranden? Hoe lang
zwierf je door haar ingewanden rond?
Wat is het dat je aanroert in haar wezen
En wat heeft ze je verzwegen-
Zij die jou had ingelijfd
en als Jona op een lege kust heeft uitgestoten?
(p. 81)
De dichter blijft achter op een lege kust; het lege toneel uit de eerste regels is onontkoombaar gebleken.