In 2004 verscheen de bundel Het vertrapte mysterie bij uitgeverij Meulenhoff. Nadat bekend was geworden dat H.C. ten Berge de P.C. Hooftprijs 2006 in ontvangst mocht nemen, verscheen een tweede druk bij Athenaeum-Polak & Van Gennep. De nummers op deze pagina verwijzen naar deze tweede druk. De recentere bundels van Ten Berge zijn aanzienlijk dikker dan zijn vroege dichtbundels. Ook Het vertrapte mysterie bestaat uit meer dan honderd pagina’s verdeeld in zeven afdelingen met uiteenlopende thema’s zoals de tango, Hilda Doolittle, een zeereis in het poolgebied en een fabel.
De bundel opent met de afdeling 'In de Piazzolla-straat', waarin de dichter telkens probeert te beginnen:
Hoe je begint
is een vraag
die er steeds weer toe doet.
(p. 11)
‘Waar te beginnen,’ schreef iemand je eens
in een brief.
(p.13)
Dit gat in de muur, geen beginnen meer aan
(p. 14)
Het openingsgedicht heeft een cynische ondertoon:
Toch zijn er altijd weer ogen die glanzen.
De jouwe. Je drinkt het geziene, je schenkt nog eens bij.
Het eind is in zicht, het pad gebaand, een gedicht
praktisch klaar
weet je dat bijna niets ertoe doet -
Je zeilt op een geschonden planeet
door een heilloos en onverschillig heelal.
(p. 12)
Maar de cyclus eindigt toch met de vervoering van de tango:
Muziek zuigt het vuil
uit onzichtbare wonden.
Beteugelde liefde breekt
uit het gat in de muur.
(p. 17)
Het verlies, dat in Texaanse elegieën (1983) een belangrijke rol speelde, is in Het vertrapte mysterie onlosmakelijk verbonden met de tijd.
Je wilt het heden betrappen
terwijl het al niet meer bestaat
(p. 21)
Zo begint de cyclus 'Tijd is'. In deze afdeling wordt beschreven wat er eens was, maar de tijd niet heeft overleefd. Immers:
Tijd heelt niets, want slaat weer
nieuwe wonden.
(p. 21)
Het verleden komt alleen terug in de herinnering, bijvoorbeeld in de vorm van een inventaris van een oud schoollokaal. In deze afdeling staat ook het gedicht 'Ontheemding van de ongetemde geest', waarin de teloorgang van de Indiaanse culturen van British Columbia betreurd wordt. Dit verlies van het verre en onbekende wordt vervolgens gemonteerd aan de teloorgang van de eigen cultuur.
Een foto van verdwenen totems
is niet wat je zocht.
Die spar van tachtig meter
droeg bever en beer onder zijn schors,
aan zijn takken hingen emblemen van arend, heilbot,
hermelijn,
uit zijn stam sprak de gestremde tijd
waar houtsnijders wel raad mee wisten.
Zeeduivel en Kannibaal waren opgericht
als grafpaal die de hemel perforeerde,
Kikker-in-Vuur en Vulkaanvrouw stonden klaar
om ondergronds te gaan (het dorp
was horend doof en moest verbranden).
Leren buidels schermden vogeldons en amulet
voor vreemde blikken af.
Men deed ze heimelijk van de hand om voorspoed,
heelkruid,
een ivoren haak waarin de vis graag hapte
of een onheil brengend lied van de sjamaan te kopen.
Zoals je eens aan de Pacific
naar de sporen
van verloren stammen staarde,
in de regen op het smalle strand van Bella Coola
tussen afval en karkassen bivakkeerde,
langs de oevers van de wilde Kispiox op zwarte vliegen,
tubes ketchup en verroeste vaten stuitte–
zag je thuis, algauw
weer ingepolderd en bevangen,
dat de boomgaard naast de sloot
waar de appels als emblemen aan de takken hingen
en een specht insecten uit de boombast klopte,
waar boer Ligthart fruit voor zakken eikels ruilde
en de varkens zielsgelukkig in de modder knorden
dat de boomgaard naast de sloot,
Ligtharts hoeve De Zes Wielen en de kevers voor de specht
onder trieste asfaltpleinen waren platgewalst
en weggevaagd.
(p. 29-30)
Er wordt wel gezegd dat het werk van Ten Berge met de tijd toegankelijker is geworden. In dit recente gedicht is te zien hoe de door hem veelgebruikte montage-techniek wordt ingeleid en uitgelegd. Ter vergelijking: in de vijfde Texaanse elegie staat de regel ‘Aristaios, Tramontane’. Deze twee personen worden zonder enige omhaal aan elkaar gemonteerd. Bovendien is de lezer volledig van zijn eigen kennis afhankelijk om de overeenkomsten tussen Tramontane en Aristaios te herkennen en te begrijpen waarom ze zijn samengebracht.
In dit gedicht wordt de bedoeling van de montage juist benadrukt: 'zoals je eens aan de Pacific … zag je thuis, algauw'. Bovendien is de vergelijking bijna stapsgewijs uitgelegd. Ten Berge zet de beelden niet meer vlak naast elkaar, maar schuift ze over elkaar heen. De 'verdwenen totems' vormen 'de boomgaard naast de sloot', de appels hangen aan de takken als de emblemen van 'arend, heilbot, hermelijn' en 'bever en beer onder zijn schors' worden de 'insecten uit de boombast'. De vreemde namen 'Bella Coola' en 'Kispiox' worden ineens herkenbaar: 'boer Ligthart' en 'hoeve De Zes Wielen'. Zo wordt het verre en onbekende dorp dat moest verbranden de hoeve van thuis die wordt 'platgewalst / en weggevaagd'.
De interesse in Ezra Pound is in deze bundel ook nog steeds aanwezig en komt in de bundel naar voren in twee afdelingen die gewijd zijn aan Hilda Doolittle die kort een relatie met Pound had gehad en lang met hem bevriend is gebleven. 'Een liefde in 1905' is een biografische inleiding op het leven van deze dichteres:
Hilda vijftien, Ezra zestien –
Samen in een boomhut onder de sterren
(p. 35)
Hilda Doolittle volgt Pound naar Londen, maar de jeugdliefde kent geen vervolg:
Oude beloften herroepen.
Hilda, vijfentwintig, en nog ongerept.
Vrijers bij de vleet. Soms een minnaar
in het voorportaal. Ook de vrouwen
dongen naar haar hand –
maar Ezra's zin ging uit naar Dorothy
(p. 40)
Vader en moeder Doolittle die hun relatie altijd al afkeurden beroven haar er met terugwerkende kracht van:
Moeder Helen nam haar apart:
'Het zal je opluchten te horen dat je vader Ezra’s brieven heeft verbrand.'
(p. 41)
De afdeling leest als een opsomming van citaten, verwijzingen naar andere namen uit de literaire kring van Doolittle en Pound en extra informatie tussen haakjes. Hierdoor krijgt de lezer regelmatig het idee niet een gedicht, maar een biografisch essay te lezen.
De erop volgende afdeling bestaat uit vertalingen van enkele van Doolittle’s gedichten. De net behandelde stukgelopen relatie met Pound echoot na in de woorden van een verbitterde Eurydice, maar vooral in de zwervende Odysseus. Ten Berge wil het verband tussen moeder Helen Doolittle en Helena van Troje – in het Engels allebei 'Helen' en allebei de oorzaak voor de afstand tussen de twee geliefden – in zijn vertaling niet verloren laten gaan:
Helen, Helen kom naar huis;
er was een Helena voordat er oorlog kwam
(p. 57)
De invloed van de klassieke mythologie in Doolittle's gedichten werkt nog door in de volgende afdeling die bestaat uit drie gedichten die geïnspireerd zijn door passages uit de Metamorfosen van Ovidius.
'De hutkaap' is een bewerking van een serie gedichten die eerder dienst had gedaan als epiloog van de novelle Matglas. Jargon als 'pikbroek' en 'vetpieper' proberen de sfeer van zeelui op te roepen, evenals plat taalgebruik:
- Lazer op, meester,
geef eerst een kopstoot
of klare, en doop
je snikkel in de brandy!
(p. 74)
Net als de expeditie van Shackleton leiden ze schipbreuk en moeten zien te overleven tussen het ijs. Het is moeilijk om helder te blijven tussen al dat wit:
Maar, beste Marston, zie hoe ik zwaai
met mijn bijl, sneeuwblind en snel
deze bijt in de lucht hak,
denkbeeldige kraters met smeltwater volstort.
(p. 77)
Uit een puntsgewijs uitgeschreven 'strategie' waarin meer vragen dan antwoorden staan blijkt dat de structuur het van de waanzin verliest:
15 Opmetingen verrichten. 15a waarvoor? 15 b Voor wie?
16 Het papierbestand controleren. 16a Zie 6 na voldaan te hebben aan 6c.
(p. 79)
Het doel van de strategie is dan ook niets anders dan 'de tijd te doden'.
Bij een beschrijving van de expeditie van Shackleton wordt weer de grens opgezocht van wat nog poëzie is. De opsomming van ontberingen lijkt meer op een reisverslag in telegramstijl:
Niet slapen uit lijfsbehoud.
Scheurbuik. Verblinding. Een neusbloeding
(bloed dat bevriest in de neus).
Depots die nooit worden bereikt.
Pemmican, plasmon koeken, cacao, kaas en thee.
Soms ook suiker en haver.
Sneeuwblinde ogen (als door naalden gestoken.
Met zinksulfaat en cocaïne verzacht).
Koudvuur. Te laag bloedsuikerpeil.
Diarree, plankhard in de broekspijp. Bevriezing na
plaspauze. Hypothermie. Windgekte. White-out.
Achterdocht en jaloezie.
(p. 84-85)
De laatste ingesprongen regel geeft aan dat naast de problemen van deze specifieke omgeving de reizigers ook niets menselijks vreemd is.
De volgende afdeling, 'Narcolepsie', beschrijft in een droomwereld het verlies van onschuld en schaamte.
Je bent vijf jaar
En zoekt naar brandhout om de kou te weren.
Een boze man in Feldgrau vindt het scherp
Gewette bijltje tussen takkenbundels in de jutezak.
Hij zet het kille ijzer (tsjop, tsjop) in je nek,
Scheurt je kleren,
legt zijn wil op,
gooit het bijltje daarna in de sloot.
Nu kom je nooit meer thuis-
Bloot, vol schaamte, blijf je zo een eeuwigheid
Zonder beweging staan.
(p. 95-96)
Die schaamte is in het laatste gedicht van de afdeling volledig verdwenen:
Is haar neus vervangen? En het vel weer glad?
Zijn onderkin en heupvet weggezogen?
Hier iets weggehaald & daar wat ingespoten?
Dril in plastic zakjes onder blouse of T-shirt vastgenaaid?
Total remake, zegt ze luchtig. Zal ik mij ontkleden?
(p. 101)
en even later:
Het ontraadselde lijf op het web
wereldwijd ter beschikking gesteld.
(p. 102)
Wat in het eerste gedicht bedreigend was, is nu bijna een vanzelfsprekendheid. Door het noemen van tijdsgebonden elementen als Feldgrau en het wereldwijde web wordt het verloren gaan van de onschuld gekoppeld aan de voortgang van de tijd. In een droom wordt het meisje achter de webcam, een 'vrome Poolse maagd',
Weggevoerd naar zo’n barak vol luizen
Achter rollen ondoordringbaar prikkeldraad
(p. 102)
Zo lijkt er voor de Poolse vrouw in al die tijd maar weinig veranderd.
De laatste afdeling, 'Het grote lak' is een sprookje over Raaf die per ongeluk licht schept op een donkere en lege aarde. Het gebrek aan interesse in zijn schepping en honger naar macht leiden naar de ondergang en een sombere laatste noot voor de bundel:
De inktzwarte ruimte
sloot zich voorgoed om hem heen.
Alles kwijnde, verstijfde, stierf af.
Ook wormen en maden bevroren.
Het was weer leeg en donker op aarde
(p. 112)