Niemand wint
Niemand wint (1992) is opgedragen aan Bernlefs vrouw Eva. Er staan relatief veel prozagedichten in deze bundel. In het gedicht 'Bal tegen bal' zijn de taal en het schrijven onderwerp. Hoe simpel kan het zijn, vraagt Bernlef zich af. Waarom al die moeite doen om alles anders te noemen en te zoeken naar woorden die op elkaar rijmen, waarom er omheen draaien? De kern is het belangrijkst.
Misschien is de grootste verleiding
bal te zeggen tegen bal, tak te laten
rijmen op tak, merel op merel
Om kaalgesleten als een oud tapijt
kleuren te laten schieten, de laatste draad
kwijt te raken - de op een na laatste.
(p. 13)
In het prozagedicht 'Stekels' mogen de dromen toch hun kop op steken.
Die nacht droomde ik jou: naakt en voor het eerst in een verder
vergeten kamer. Iets dat volmaakter was had ik nooit in het echt
gezien.
Ik werd wakker van het geluk dat dat alles er nog is:
(p. 30)
In 'Yves Tangui' wordt een eindeloze vlakte weergegeven in de laatste strofe, die overloopt van de enjambementen. Er komt een steen in voor die in de mond gehouden moet worden - een herinnering aan kinderen die vroeger duidelijk moesten leren praten. Goed leren schrijven deed je door te luisteren naar de golfslag die te vangen is in slechts twee klinkers, namelijk de e en de i, samen dus de ei van eiland. Het laatste enjambement maakt dat er daarna een 'vent' in de top van een boom zit te wenken:
Wat voor je ligt is een witte verlaten vlakte met in de verte, als
een herinnering, het geluid van de golfslag dat je hand in bewe-
ging zet, het woord schrijft dat in twee letters heel je heimwee en
huiver bevat. Een kleine steen rondrollend in je mond. Een ei-
land met in de top van de enige boom jij, turend in de verte, fer-
vent wenkend naar iets.
(p. 46)
Vreemde wil
Ook de bundel Vreemde wil uit 1994 is opgedragen aan zijn vrouw Eva. Deze bundel is opgedeeld in vier afdelingen. De opening is verwonderend:
Wat is er in mijn hand gevaren
dat mij voor mijzelf onleesbaar maakt,
verwrongen staart het schrift mij aan.
(p. 11)
In deze bundel ook weer een en ander aan natuur en dieren in grappige woordspelingen:
Zoals de mier getroffen
door een druppel barnsteen
(p. 22)
en:
In takken groeperen zich groene zinnen
popelend om alle kanten uit te lopen
(p. 23)
De natuur moet niet te dichtbij komen:
Een koningin bezocht ons
Sindsdien woonden wij onder een zoemende stad
hield vliesdun geritsel ons uit de slaap
(p. 24)
Wellicht was Bernlef in gedachten bij de roman Boy toen hij het gedicht 'Blindenkaart' schreef, waarin bomen ritselen en zintuigen op scherp staan:
Wind ritselt een boom zijn blikveld binnen
neemt hem in alle stilte ook weer mee
wat rest is heimwee naar ruimte en een oor
gespitst op ieder nieuw geluid -
muziek drukt niets uit zolang de blik ons leidt
Wat wind laat liggen wordt daarom onbestaanbaar
op de blinde kaart waar regen de wegen tekent
de wandelaar voorbijgaat met zijn pad
(p. 30)
Het gaat om waarnemingen van alles, inclusief dat wat niet waarneembaar is:
Iedereen slaapt nog, maar onder water zijn de uitzendingen van
de vissen al begonnen. Hun voor ons onhoorbare boodschappen
bereiken in steeds wijdere kringen de lelies, die hun spitse witte
oren openvouwen.
(p. 32)
In 'Over het geloof in nauwkeurigheid' komt de essentie van Bernlefs werk naar voren. Het nauwkeurig observeren en het gericht zijn op de leegte, het niemandsland. Ook de foto's als middel tegen het vergeten komen regelmatig terug in zijn werk.
Wat mij ontroert als ik de foto's bekijk
de logboeken lees, is die hoopvolle blik
in niemandsland, hoe je met de dood voor ogen
bleef kijken naar planteresten en gruis
(p. 38)
Het titelgedicht 'Vreemde wil' is een gesprek met Paul Valéry en heeft als motto 'On ne résume pas une mélodie'. Dit begint met de volgende strofe:
'Een vreemde ondergrondse wil,' sprak Paul terwijl
wij de dodenstad binnenreden. De stoplichten deden het
verder was het er verlaten als Wallstreet op zondag
(p. 47)
In een dialoog met de dichter zegt Paul:
waarom anders die hysterische interesse in verliefdheid
het overschrijden van grenzen, breken van taboes?
Boven onze hoofden spraken twijgen met de wind.
'Waar of niet', zei Paul, ' je kunt toch niet eeuwig
in de schaduw van je eigen denken blijven?'
(p. 48)
Je bent de vorm niet van je leven, hoogstens
een aarzeling ervan. 'En juist daar, tussen klank
en zin hinnikt een paard en springt.
'Heus je leven heeft geen zin. Had het
dat wel dan was het afgelopen.' Het paard
is nu al vele malen groter dan zijn stal.
(p. 50)
Hierin is het gedachtengoed te herkennen van Rimbaud en Valéry die regelmatig over de zinloosheid van het bestaan spraken met gelijkgezinden als Toulouse Lautrec en Debussy begin vorige eeuw. Daarna spreken Paul en de dichter over de betekenis van een naam voor een mens. Die betekenis van namen komt ook in ander werk van Bernlef voor en ook bij andere dichters. De dichteres Neeltje Maria Min, bijvoorbeeld, noemde haar eerste dichtbundel Voor wie ik liefheb wil ik heten. Meestal staat de naam in gedichten voor degene die je bent. Wie zijn naam verliest, is verloren. Het is mogelijk je naam (je zelf) aan de duivel te verkopen.
'Het is niet vreemder dan je naam,' zei Paul. 'Of even vreemd.
Eenmaal van zijn naam ontdaan staat het
een mens vrij zich van zijn denken te bevrijden
de twijgen zijn het losse denkwerk van de stam.'
(p. 51)
Dan begint een queeste, met het paard dat van stal is gehaald, naar een eigen vorm. Daarvoor verliest de dichter eerst zijn ik en herrijst dan in zijn lichaam in een nieuwe omgeving die hem vreemd is.
Wat vroeger (toen er woorden waren) stilte heette
was nu een tomeloze waterval, een wild gebonk
van een vlezige gevangene in zijn cel
Herinneringen werden voor mijn ogen weggevreten
beelden bereikten mij alleen in componenten (of
was iets bezig, bij gebrek aan zelf, zich op te heffen?)
Toen het donker werd kon ik vrijer reizen
(p. 57)
Bernlef eindigt dit gedicht:
Men kan maar één ding tegelijk beweren
starend in het verglijdend vergezicht
dit lied, dat zijn kern gevormd weet
door een vreemde wil, valt niet te resumeren.
(p. 59)
Aambeeld
Aambeeld uit 1998 bevat zeven afdelingen, met titels als 'Erfgoed', 'Nike' en 'Spel zonder net'. Daartussen lijkt weinig verband te bestaan; een gemeenschappelijk hoofdmotief is: verlies. In het prozagedicht 'Jongensstad' gaat het over het aanstaande verlies van een vader.
Maar niets hielp, niets helpt tegen het voortwoekerende ge-
vaar, onbeheersbaar voor een jongen van twaalf die zijn vader
gaat verliezen.
(p. 10)
En de herinneringen aan de jongenstijd in het gedicht 'Postzegelalbum':
Na de oorlog lagen alle landen door elkaar
de atlas spoorde niet langer met zijn album
dat voor mij het boek der boeken bleef.
(p. 17)
Er wordt geleefd en gewerkt in de stad in 'Aambeeld', de mensheid is mobiel.
Te gek zo perfect de weg aansluit
op het wegennet, geen kink, geen kabel
De gebruiker sluit bij voorbaat iedere vorm van pech uit
(om maar te zwijgen van erger)
(p. 35)
Zonder desolaat landschap kan het bij Bernlef niet; hier komt tussen de bedrijven zijn ware aard weer boven drijven:
Tussen de bedrijven
liggen smalle stroken braak
niet meer verkavelbaar
Toch gebeurt het daar
(p. 51)
Kijkt Bernlef nostalgisch terug naar de leegte, waar hij zo graag over schrijft; is hier de dichter aan het woord die merkt dat hij een andere weg in slaat met zijn werk, terwijl hij weet dat het daar niet gebeurt?
In het slotgedicht 'De schilder 70 (Lucien Freud)' komt Bernlef op bekend terrein: de dementie uit zijn succesvolle roman Hersenschimmen.
Hij heeft zijn leven bijna doorgesneden
zijn lichaam uitgeleend aan het vergeten
als hij op zijn zeventigste een baby tekent
(p. 64)
Het eindigt aldus:
Het paletmes als een dolk geheven boven
een baby die daar voorgoed in verf verzegeld
vredig in het heden slaapt.
(p. 64)
Waarmee de dichter suggereert dat dementie en de naderende dood minder verschrikkelijk zijn, als degene die eraan lijdt zich er niet van bewust is: bewustzijn kan ook bedreiging zijn.
Bagatellen voor een landschap
Ook Bagatellen voor een landschap uit 2001 is weer opgedragen aan Eva. Deze bundel bevat al op het omslag een landschap: lichtblauw boven, groen (gras) in het midden en bruinroze onderaan. De gedichten concentreren zich op de natuur. Zo gaat het over:
Niets dan verstuiving
rozen van zand verbloeid door de wind
Tot akkermelkdistel, buntgras
en zandzegge
hun vederlichte ankers neerlieten in het zand
(p. 11)
en:
Waar eens de dooiergele tasjes van de brem
door de dar een voor een werden geleegd
( p. 17)
of:
Plotseling omringd door libellen
bleef ik stofstijf op het zandpad staan
(p. 31)
De processen in de natuur beschrijft hij op romantische en toch realistische wijze:
Een glinsterend slijmspoortje op een stronk
een losgeraakte en bedauwde spinnendraad
de wind, dit alles traag en lichtjes drogend
(p. 39)
Met aansluitend enige liefdeslyriek die in de laatste strofe aan de Vlaamse dichter Herman de Coninck herinnert:
Meer niet
meer niet nodig ook
Haar glimlach en daar
weer het vervagen van.
(p. 39)
Een rechtvaardiging voor deze romantiek en lofzang op het landschap legt Bernlef in de strofe:
Al deze strelingen
in dit omgewoelde bed
huiveren in helmgras na
Hier werden ze bewaard
omdat wij ze weggaven aan elkaar
(p. 48)
Daarbij rekent hij af met de ongevoeligen voor de natuur:
Wie wordt bewogen wordt afgelegd
wie onaangeraakt bleef staart
in een versteend gelaat
De bomen hebben mij leeggevist
(p. 49)
De natuur is niet gevrijwaard voor de dood, zie:
In het bos is de dood openbaar
vrijwel vrolijk liggen ze daar
(p. 60)
Eigenlijk vindt Bernlef dat een prettige manier van afscheid nemen, volgens:
Zo kan het ook; zo feitelijk
zo zonder spijt, enig misbaar.
(p. 60)
De laatste regel verbergt een dubbele betekenis in 'misbaar', met de dodenmis en de baar waarop de dode ligt. Ook neemt Bernlef weer afstand van het romantische dat hij daarvoor omarmde in deze bundel. Blijkbaar mag het voor hem nu naast elkaar bestaan: het feitelijke en het geromantiseerde.
- Terug naar: Introductie