Kanttekeningen

Bernlefs poëziebundel Kanttekeningen kwam in 2010 uit en bevat gedichten die stuk voor stuk naar objecten, fenomenen of ervaringen zijn genoemd. Zo bevat de bundel gedichten als 'de taal', 'het water', 'het licht en de ruimte', 'de koude' en 'het vergeten'. Deze gedichten lijken voortgekomen te zijn uit Bernlefs verwondering over de onderwerpen. Telkens hebben de gedichten dan ook een filosofische maar toch speelse toon.

Kanttekeningen wordt gekenmerkt door de onderlinge spanning tussen de gedichten, die het gevolg is van de keuze om zowel concrete objecten als persoonlijke ervaringen en zelfs abstracte of imaginaire fenomenen aan dezelfde formule te onderwerpen. Ook zorgt Bernlef dat zijn benadering van de fenomenen telkens verrassingen bevatten. Zo opent hij 'het water' met:

Dat wisten we toch allang
dat water een geheugen heeft?
Het verzamelt alle in hem weerkaatsende wolken
geen dotter of gele lis aan zijn oevers ontgaat hem
de kiel van het plezierjacht, noch de peddelpoten van de eend.

Waar voert het water zijn indrukken heen?    
(het is hem onmogelijk terug te stromen)   
net als al onze herinneren zoeken zijn beelden   
de laagste plek, waaieren daarna uiteen  
in steeds kleinere kreken. Daar maakt het de rekening op.
(p. 19)

Bernlef speelt hier met de personificatie van het water en trekt paralellen tussen menselijke beleving en het gedrag van water. Zo krijgt water een nieuwe betekenis, terwijl ook iets verrassends over de ervaring van de mens gezegd wordt. De poëzie doet denken aan die van Tomas Tranströmer, wiens werk Bernlef ook in het Nederlandse vertaald heeft. Deze noemt hij in de essaybundel De tweede ruimte een 'tovenaar' vanwege zijn vermogen de dingen om zich heen te vervormen tot persoonlijkheden zonder de zichtbare werkelijkheid ontrouw te zijn.

Bernlef vergelijkt ongelijksoortige dingen en nodigt zo uit tot ironische interpretatie. De vraag is hoe ironisch Bernlef eigenlijk is. Hoe dan ook poneert hij iets abstracts en onvoorstelbaars als 'de eeuwigheid' met niet minder stelligheid of vanzelfsprekendheid dan meer concrete zaken:

De huidige vloer van ingedikte schapenstront    
wacht op de volgende ronde van de wind    
die geen rustplaats vindt maar doorknaagt tot ook 
de laatste steen met grond gelijkgemaakt zal zijn.   

Als er na jaren hier toch nog iemand komt    
deze restanten van bebouwing ziet    
kan hij niet nalaten te denken: 'eens':    
stemmen, geroep, gevloek, hondengeblaf .           

'Landschappen zijn geen zielstoestanden     
maar sommige zielstoestanden zijn landschappen'. 
              
Zo worden meeuwen zwervende zielen     
laverend op de wispelturige wind      
komt alles wat dood was weer even tot leven     
en gloeit de laatste steen op in het namiddaglicht.  
(p. 9)

Het fragment tussen aanhalingstekens is overigens een citaat van Lars Gustafsson, waarmee Bernlef zijn waardering voor deze Zweedse dichter benadrukt. Vanaf 1980 publiceerde hij vertalingen van diens gedichten.

Graag kiest Bernlef ervoor om zijn onderwerpen te presenteren door middel van beelden. Tenzij het gedicht zelf dan weer een beeld als onderwerp heeft, zoals in het geval van 'de schoonheid'. Dan kiest Bernlef juist voor een meer reflexieve en abstracte toon:

De gefotoshopte meisjes op de abri's  
ik heb de grootste moeite mij voor te stellen 
hoe ze ooit waren voor ze gladgestreken    
werden en nietszeggend, ergens  
verbergen ze iets, hun geschiedenis  
al valt die niet te zien, hoogstens te raden 

Het oog krijgt geen vat op het overgepolijste 
glijdt langs hun gladde oppervlakken af 
deze schoonheid is alleen te koop, niet te ervaren. 
Laat schoonheid daarom opnieuw haar gezicht verbranden 
laat de weeffoutjes terugkeren  
de minieme afwijkingen van het rolmodel.  
(p. 51)

Tussen de regels door maakt Bernlef, met de schoonheid die zich het gezicht verbrandt, gauw nog een allusie op de poëzie van mededichter Lucebert. Dergelijke referenties aan andere teksten, laat Bernlef vaker zien.

Ten slotte wil Bernlef zo af en toe van de dingen ook niet meer maken dan ze zijn. Daarvoor pleit hij zelfs:

De wolk   
  
Een eeuwig in de hemel voorbijglijdende rorschachtest
waar eenieder zijn eigen beelden uit kan destilleren
gelukkig weten de wolken zelf niet wat zij hier beneden
allemaal aan transformaties moeten tolereren. 
 
Een wolk is een wolk is een wolk. Probeer het
zo te zien zonder die tarra aan gezichten 
beelden, plaatjes uit een bij elkaar gefantaseerd bestaan.
Vanaf heden is een wolk gewoon weer een wolk.
(p. 44)