Suster Bertkens nagelaten gedichten in druk
Een aantal jaren na haar dood werden de teksten van Suster Bertken door maar liefst drie verschillende uitgevers op de markt gebracht: Jan Berntsz in Utrecht, Jan Seversz in Leiden en Willem Vorsterman in Antwerpen. De belangstelling voor Bertkens werk moet destijds groot geweest zijn, zelfs in de Zuidelijke Nederlanden. De uitgaven van Willem Vorsterman van rond 1520 waren herdrukken van de Leidse uitgaven van Seversz. Berntsz en Seversz brachten allebei zowel in 1516 als in 1518 uitgaven van Suster Bertkens werk in het licht. Nog steeds is niet geheel duidelijk welke van deze twee drukkers de primeur had met zijn uitgave van Suster Bertkens werk. Of is de oudste en oorspronkelijke uitgave van haar werk verloren gegaan?
In 1924 verzorgde J. Snellen een editie van beide werkjes, naar de druk van Seversz uit 1518. De twee boekjes van Bertken die door Seversz werden uitgegeven, zijn in de zeventiende of achttiende eeuw samengebonden. Van deze verzamelbundel telde Snellen twee exemplaren, waarvan alle 'onderdelen' in 1518 gedrukt waren. Ook was het haar bekend dat de Berlijnse staatsbibliotheek een exemplaar van het passieboekje in bezit had. 'Andere oude uitgaven van Suster Bertkens geschriften zijn niet tot ons gekomen en hebben misschien ook niet bestaan' (Snellen, 1924, p. xxiv). Ze noemde het onwaarschijnlijk dat het gedicht met de vermelding 'Dit liedekijn heeft ghemaect Baert suster, die clusenarinne tUtrecht' echt aan Suster Bertkens mocht worden toegeschreven: 'hier is naar mijne meening een andere dichterlijke persoonlijkheid aan het woord' (Snellen, 1924, p. xxiv).
M.E. Kronenberg deed in de jaren daarna de ene naar de andere belangrijke vondst over de uitgaven van het werk van Suster Bertken. Ze ontdekte dat het zich in Berlijn bevindende exemplaar van het passieboekje stamde uit 1516, ze wist de Antwerpse drukken van Willem Vorsterman te achterhalen en ze ontdekte de uitgaven van de Utrechtse Berntsz uit 1516 van beide boekjes van Bertken. Ze concludeerde dat Berntzs de oorspronkelijke uitgever moest zijn geweest. Van de Graft nam in het voorwoord van de uitgave van de Utrechtse editie in 1955 Kronenbergs conclusie over. Ze stelde: 'Het lag ook wel voor de hand, dat de geestelijke nalatenschap van Suster Bertken, die te Utrecht hoog werd vereerd, aldaar, waar Jan Berntzs. woonde en werkte, en niet te Leiden voor het eerst zou zijn gedrukt (Graft, 1955, p. 8). De verschillen tussen de Utrechtse en Leidse drukken bevestigden volgens haar die veronderstelling nog eens: de afwijkingen in de tekst van Seversz konden als verbeteringen ten opzichte van de editie van Berntzs gezien worden, Seversz voegde ondertitels toe, die bij Berntsz ontbraken of afweken, en uit de verschillende keuze voor houtsneden zou ook op te maken zijn dat Berntsz eerder was met zijn druk.
Ampe concludeerde echter aan de hand van diezelfde verschillen dat er een oudere uitgave moest hebben bestaan: een betere uitgave, aangezien volgens hem de Utrechtse versie uit 1516 corrupter was dan die van Seversz uit 1518. Aanvankelijk dacht hij dat die onontdekte eerste druk een Utrechtse uitgave was, waarop de Leidse uitgave zich baseerde (Ampe,1956, p. 289). Later veronderstelde hij dat een Leidse uitgave uit 1514 ten grondslag gelegen moest hebben aan zowel de latere Utrechtse als Leidse drukken. Hoewel deze stelling niet bewezen werd, zag Van Buuren in de hypothese van Ampe genoeg aanleiding om zijn eigen uitgave te baseren op de Leidse drukken. Ook presenteerde Van Buuren de twee boekjes van Suster Bertken als een eenheid. Ook dit deed hij mede naar aanleiding van Ampe, die het aannemelijk achtte dat aan de edities van de werkjes ooit één verzamelhandschrift ten grondslag lag. Dat handschrift werd nooit gevonden.
- Lees verder over Suster Bertken: Suster Bertken bij Hugo Claus en H.H. ter Balkt
- Terug naar: Introductie