1: 1975-1984: "Hoewel ik soms van woorden overloop"

Blindkap

Blindkap, de debuutbundel van Huub Beurskens, verscheen in 1975. Deze bundel werd niet direct opgemerkt door de pers. Taligheid en autonomie spelen een grote rol in deze gedichten - het geldt voor het gehele werk van Beurskens, waarin een gedicht een op zichzelf staand kunstwerk is van woorden. Voor het begrip van de gedichten is de biografie van de kunstenaar niet van belang. De taligheid gaat gepaard met het vermijden van hoofdletters en interpunctie.

De bundel bestaat uit zes delen, waarvan het laatste vier vertaalde gedichten van de Duitse dichter Georg Trakl bevat. Daarna volgt nog een opmerking: 'Een hint en een tip voor plagiaatjagers', waarin de namen, bijbelboeken en genres worden genoemd waaraan de dichter refereert: 'armando, gebrs. grimm, job, ezra pound, rainer maria rilke, willy roggeman, georg trakl, ludwig wittgenstein, wat chinoiserieën, bijvoorbeeld'.

In het gedicht 'Chinoiserie' blijft ongezegd of het beschreven tafereel zich in werkelijkheid afspeelt of dat het een geschilderd tafereel is. Onduidelijk blijft of het om beweging of afgebeelde beweging gaat. Maar het zou een schildering op een Chinese vaas kunnen zijn, die hij vastlegt:

kantelende vlucht van de ijseend.
terras in loodrecht riet en regen.
mist en als wenkbrauwen
              de takken van de treurwilg.
(p. 7)

Hij legt de beweging twee maal vast, want de slotstrofe is exact gelijk aan deze eerste strofe van het gedicht. Beelden van de natuur komen in veel gedichten van Beurskens voor, zoals in het eerste gedicht uit de cyclus 'Portretstudies':

maar met een zoete hoop
op schending het landschap in
dat gouddooraderd opent
              met een veld pal onder zon:

rode kraag van de fazant
staat bloedgesteven ijdelheid omhoog
kloppend als de stengel van een ui: hol
is hij zijn bekken ontgroeid
(p. 16)

Door het hermetische karakter van zijn poëzie werd Beurskens al gauw als een 'moeilijke' dichter bestempeld. Toch is veel van zijn poëzie direct aan werkelijke en zelfs historische gebeurtenissen gekoppeld, zoals de vierde sectie van de debuutbundel, 'Oates', die is gebaseerd op het verhaal van Lawrence Oates. Hij reisde mee met de expeditie van Robert Falcon Scott naar de Zuidpool. De Noor Roald Amundsen was hen echter te snel af en bereikte de Zuidpool op 14 december 1911. In het gedicht staan de woorden 'haakons vlag' voor de Noorse vlag: ten tijde van deze expedities was Haakon de koning van Noorwegen.

als haakons vlag wapperend
onze knieën / gevonden taal
( : duivelser tang dan
dit helse landschap )
(p. 32)

Cirkelgang

De bundel Cirkelgang (1977) werd wél opgemerkt door de pers. Beurskens speelt in deze dichtbundel met de begrippen tijd en vergankelijkheid, in de vorm van een gejutte klok. Een lege colafles vol schelpjes symboliseert de tijd die voorbij gaat:



een klok heb ik gejut
doch die niet tikt
en zonder wijzers

die zet ik in de zon
naast ander trots bezit,

een lege colafles vol
met fossiele schelpjes
(p. 49)

Woorden als 'wordetonger' (p. 14) en 'chrysaëtos' (p. 9) worden afgewisseld met woorden als 'janhagel, rap en engelen'. Regelmatig is de taal zelf onderwerp van de gedichten van Beurskens. Zoals in het gedicht 'X':

schichtiger toeft taal
in het duister van de stemspleet

een enkel woord al
vernauwt de lucht

hoewel ik soms van woorden
overloop, soms spoelen ze
te hoop en klitten op mijn kust,
soms ook vind ik door al die
pokkenwoorden geen rust,
een andere keer heb ik alleen
maar dorst en honger
(p. 48)

Op eigen schaduw hurken

De in 1978 verschenen bundel Op eigen schaduw hurken betekende veelal een voortzetting van de verschillende thema's die Beurskens in de eerdere bundels behandelde, zoals tijd, taligheid en geschiedenis. In de cyclus 'Amarna', genoemd naar een periode uit de Egyptische geschiedenis, komt het historische aspect van Beurskens poëzie naar voren. In deze cyclus laat hij de Egyptische farao Echnaton, die tijdens de Amarna-periode regeerde, herleven. Deze farao aanbad als enige god de zon:

de stille met de vorstenkap ziet
in zijn spiegel de zon en nauwelijks
verblind sopt vingers in bloemkronen
in de baai de logste nijlpaarden
kunnen drijven schitteren water-
druppels in zwart haar meisjes
naakter dan geheel ontkleed en
geen leven prevaleert
(p. 52)

Nieuw is dat Beurskens nu meer interpunctie toelaat tot zijn poëzie, zoals punten, vraagtekens en ronde haken. Opnieuw roept Beurskens in deze bundel onnavolgbare beelden op, die zijn gedichten een hermetisch karakter geven:



is in de kolon het dier volmaakt?
tot vorm omhuld in koudgrond ligt
wat slijm. en rust? paniek
zaait 's zomers vlinders in het vuur.
(p. 59)

De eerste vier cycli uit de bundel, 'Primitief', 'Fossiel', 'Antarkties' en 'Afro-equatoriaal' bestaan allevier uit zesregelige gedichten die voortdurend vragen in zich meedragen. Bijvoorbeeld in het gedicht 'VI' uit de cyclus 'Antarkties', waarin opnieuw (net als in Blindkap) de expeditie naar de Zuidpool van Robert Falcon Scott een rol speelt:

met honger en opiumtabletten een paar mijl
van het depot. maar ingekapseld: potdicht
het zicht, van jaagsneeuw het denken moe.

ligt het breindier uitgeteld? verijzing
zijn manko? scott zijn grens? in verwarmde
bases neemt toerisme toe.
(p. 32)

Of in het gedicht 'I' uit de cyclus 'Afro-equatoriaal':

martini's op veranda's en op schootsafstand
blondines: door de kijker grootwild, jacht-
revier; statig masai staat in het vergezicht.

anderzijds blaasroer, pijnlijke ademstoot van-
uit koele maskers? neemt niemand magnaten
in vizier? witkaki neger harkt de tennisbaan.
(p. 35)

Vergat het meisje haar badtas maar

De in 1980 verschenen bundel Vergat het meisje haar badtas maar bestaat uit negen 'kwartetten': negen cycli bestaande uit vier gedichten. Ook in deze bundel spelen de begrippen tijd en taal een grote rol, naast de schilderkunst. Het motto is ontleend aan de kubist Georges Braque, die in 1963 overleed, zoals te lezen is in één van de gedichten.

er is een hijgen om de volledige stilte te bevrijden.
er is een zwijgen dat geen spraak meer ducht.
rivier waait 's nachts uit zee als sterren terug,
vissen komen oorspronkelijk uit de lucht; getijden
(p. 39)

Het zijn en het niet-zijn speelt ook een rol in de poëzie van Huub Beurskens. Zoals in het derde gedicht uit 'Tweede kwartet', waarin de dichter zich afvraagt of, als je de ene kant van de krant aan het lezen bent, de andere er niet meer is. Al gauw blijkt echter dat het in wezen om een stilleven gaat, waarvan de onderdelen niet van één kant, maar van meerdere kanten tegelijk belicht worden, zoals in de kubistische schilderijen van Picasso en Braque:

deze kant van de krant lezend
is de andere onleesbaar? niet meer of minder
waar houdt een achterzijde van de appel op?

het glas trekt een cirkel om de wijn in zichzelf
en om de wijn in zichzelf te bedaren. nachtelijk stil
worden druiven trossen, als dingen onbegonnen.
(p. 17)

Het vertrek

In de bundel Het vertrek uit 1984 werden de opgeroepen beelden in de gedichten van Huub Beurskens minder abstract, meer aards en autobiografisch, duidelijker. Zijn poëzie werd allengs minder hermetisch. In bijvoorbeeld het zesde gedicht uit de cyclus 'Ensor' roept Beurskens het beeld op van een man die in de spiegel kijkt en in zijn spiegelbeeld het gelaat van zijn vader herkent:

ik stond eens aan de grond genageld
                         in een spiegel te kijken
naar een man die ik ondersteboven
                         op mij vond lijken:
als je je vader zo ziet lijden zul je niets
                         meer dan de dood voor hem verlangen.
toen bleek de spiegel omgekeerd
                         te zijn opgehangen.
(p. 38)

Al met al toch een sprookje. De grens tussen werkelijkheid en verbeelding is in Beurskens werk altijd vaag. De zesde cyclus uit de bundel, 'Het graf van Dubois', is eerder afzonderlijk uitgegeven.

pas in de donkere kamer zag je
hoe je eigen schaduw zich
over de tombe had gevlijd
nadat je op het hoogreliëf van schedelpan
boven beenderkruis had scherp gesteld?

'... maar dat lijkt mijn schaduw wel!
even verstild en van mij ontsteld.' - ben bang
dat wij een en al verwisselbaar zijn en vrijwel
van 't licht lijfeigen, niet? daarom graven wij?
(p. 53)