2: 1985-1994: "Ik wou ik had een klein blauw aapje"

Charme

In 1988 verscheen het lange gedicht Charme bij Beurskens vaste uitgever Meulenhoff. Werd de auteur voorheen vaak gezien als een 'moeilijke' dichter, de beelden in deze bundel waren plastischer en levendiger dan in de eerdere bundels. Niet alleen de inhoud van de gedichten veranderde, ook de vorm. Zo gebruikte Beurskens in deze bundel voor het eerst hoofdletters in zijn gedichten. In dit lange gedicht bevindt de ik-figuur zich in Venetië, op een terras waar hij wacht op zijn geliefde. In de eerste regels wordt het ontwaken van de stad beschreven:

Ochtendnevel waarin een dunne stad
zich blauwig wast alsof ze
op het natte blad penseelstreek
was die nog niet wist

wat lucht wat vorm wat water was:
torens, koepels, daken,
al het licht, nog niets staat vast.
Twee dames drinken thee

op het terras.
(p. 7)

De ik-figuur denkt na over de gebeurtenissen in zijn leven, over 'wereldgebeurtenissen' en over kunst, zoals de 16e-eeuwse Italiaanse schilder Tintoretto:

Gesloten de beroemde zalen, uit-
gezonderd voor de laatste zonne-
stralen en Tintoretto die had ge-

lezen dat niet wij het centrum
waren. In het duister spannen
zijn kleuren met het universum

samen. Hij had Venetië zo goed
als nooit verlaten. Zwerver
door zijn eigen bovenkamer, verver
van de rand der zwarte gaten.
(p. 50)

Een opzichtig rijm als 'zwerver' en 'verver' geeft ook aan dat in het dichterschap van Beurskens een nieuwe periode was aangebroken. Aan het einde van het gedicht (en dus ook van de bundel) arriveert de geliefde:

Terwijl de zon haar gloed door de ochtend
veegt klinkt je vraag 'Heb je niet te lang
gewacht' alsof je er altijd al was! Als

ik opsta van het terras verschijnt de stad
als was ze neergedaald uit louter diamant
en goud als zuiver glas. Je nam je waaier
mee en nam mijn hand. De cameriere staat

er met een glas en vergat voor wie of wat
het was.
(p. [68])

Hollandse wei en andere gedichten

Voor de bundel Hollandse wei en andere gedichten kreeg Huub Beurskens in 1991 de Herman Gorterprijs. In deze bundel speelt de natuur een grote rol, soms in een geëngageerde opzet. Zo is er het gedicht 'Mijn afschuw', waarin de dichter de milieuvervuiling door toedoen van de landbouw hekelt:

Mijn afschuw is mijn afschuw. De akkers zijn doorzeken.
      Bij tonnen hangen in waaiers zonnen zure herfst.
Eenzelvigheid van loodsen waar vensterloos bedreven
      het melk-, vlees- en strontbedrijf zich aan het oog onttrekt.
Geen erfenis werd ooit vanzelfsprekender vergeven.
      Door sloten haalt het kindskind zijn zwaarmetalen net.
(p. 8)

Het gedicht 'Noli me tangere' refereert wellicht - zonder deze namen te noemen - aan het verhaal van Maria Magdalena die de zaterdag voor Pasen naar het graf van Jezus gaat. Zij treft daar een tuinman aan, in wie zij later Jezus herkent. De ontmoeting wordt vooral beschreven aan de hand van de hen omringende natuur en is veranderd in een algemener ervaring van een meisje op het kerkhof:

Een mooi meisje dat in tranen kwam vergat de nacht
op slag toen haar de tuinman zag en heeft hem lief.
In haar popelineplooien rilt de ochtend licht.
De groene kikkers zijn de vijvergrond ontstegen,

de modder heeft stengels, water knoppen gekregen.
De espen bloeien met hun blaadjes popelend dicht.
Bloemenzwerm, atlasborders waar hij loopt en liep.
(p. 31)

Klein blauw aapje

Klein blauw aapje (1992) bleek een voortzetting van de literaire koerswijziging van Beurskens. Rijm werd in deze bundel bijna standaard gebruikt, en in de korte gedichten maakte dat een barokke indruk van overdadigheid. De bundel bestaat uit twee delen met heel korte gedichten ('Klein blauw aapje' en 'Plaatselijk voorjaar'), twee delen met langere (proza)gedichten ('Palmen' en 'Nagedachtenissen') en één lang, verhalend gedicht ('De snelle sprong'). De gedichten uit het eerste deel, 'Klein blauw aapje', zijn korte observaties, soms kolderiek of absurd, zoals het gedicht 'Orchideetje':

Ik wou, klein wild orchideetje,
ik was een geile bonte kever die door een heel natuurlijk foutje
jou aanzag voor zijn van verrukking trillend vrouwtje - o jeetje!
(p. 15)

Of het gedicht 'Najaarsbloei op Kreta':

Ik wou ik had een klein blauw aapje dat ik vroeg 'Wat raap je?
en dat het op mijn schouder sprong met louter krokus die het plukte,
de geschiedenis zou ik ingaan als de onder het komende minst gebukte.
(p. 21)



De gedichten uit het deel 'Palmen' hebben als titel steeds de naam van bijzondere palmplanten, zoals 'Rode granietpalm' en 'Mururoapalm'. 'Rode granietpalm' begint als volgt:

Nu er geen architraaf meer op je rust,
de hemel te schragen dak noch koepel is,
geen argument je rest tenzij geschiedenis,
versoepel je kapiteel tot palmbladlust,

blijf niet zo van sublimaat, zo welbewust,
bewortel gerust de stylobaat, bega, beslis
voor bloei, draag maar draag vrucht, ontgroei elk is-
me, zwaai nog breder het strand van de zandzeekust

of stuif zelf tot verte uiteen
(p. 41)

Het laatste deel uit de bundel, 'De snelle sprong', is een lang, verhalend gedicht. Het gedicht gaat over het schilderij 'Herders in Arcadië' (Et in Arcadia ego) van de 16e-eeuwse Franse schilder Nicolas Poussin. Poussin is de schepper geweest van het 'ideale landschap': eenvoudige, sobere taferelen, gebaseerd op de klassieke oudheid. In deze taferelen vervullen personages die als eenvoudig werden gezien, zoals herders, de hoofdrol:

Rijkelijk naïef zijn jonge herders die,
zoals in het Louvre op een schilderij
van Poussin, bij een tombe zich afvragen wie
of wat ze blijkbaar zijn vergeleken bij
de dode die hen nu al overleefd
lijkt te hebben, die geen gespierde taal
maar - ET IN ARCADIA EGO - gebeitelde
woorden spreekt en kennelijk verijdelde
dat het leven aan zich voldoend kon zijn, eenmaal,
alsof alleen hij het recht op echt natuurbeleven heeft...
(p. 67)

Aangod en de afmens

Voor de bundel Aangod en de afmens (1994) ontving Huub Beurskens in 1995 de VSB-Poëzieprijs. Veel van de gedichten uit deze bundel bezingen het bijzondere in de dagelijkse dingen om ons heen; het gewone krijgt zo net iets meer glans. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het gedicht 'Dans aan de waterkant', waarin muggen dansen langs de waterkant:

Zoals Cuyps koeien niet hun boeren toebehoren
maar het ochtendgloren en later op de dag weer
het onmelkbaar gloeiend gouden vervloeien,
van hun ruggen, in hun stille spiegeling terug,

zo zijn muggen aan de waterkant begonnen
met dansen, verzonnen door de dansbaarheidslust
van een schijnbaar zuchtjesloze zomeravondlucht.
(p. 12)

Ook de geschiedenis krijgt in deze bundel een plaats, zoals in het gedicht 'Pomona', dat gaat over een verhaal uit de Metamorfosen van Ovidius. Omdat de echte afloop van het verhaal te schandelijk was, bedacht Ovidius een ander einde. Beurskens wil in zijn gedicht wél van de juiste afloop verhalen:

De juiste toedracht zou men onuitwisbaar zien als schande,
derhalve vertelde Ovidius Naso in zijn Metamorfosen
van het verhaal van Vertumnus en Pomona de ware afloop niet.

Nadat de Italische groeigod keer op keer in allerhande
verliefde gestalten vergeefs (als snoeier, abrikozenkoper,
oude vrouw) was doorgedrongen in haar fruitteeltgebied

verloor hij zijn geduld weliswaar en wilde hij haar
geweld aandoen ('vimque parat') - maar waarom dat geweld
niet echt nodig was?


Dan neemt hij de gestalte van een paard aan en succes blijft niet uit:



                                                                                          Ze had het

niet langer toen en gespte het edele dier aan beide flanken
aan een stalboom vast, ontdeed zich van haar hempje, broek
en hozen, en deed hem door de tanden fluiten, O vruchtje,

een soort van paardenlied.
(p. 42)

Beurskens zet zich af tegen het wetenschappelijke en intellectuele:



Nee, spreek me niet van wetenschappelijkheden,
van heren die ons leren waarom we gezeten in een net
tot staan gekomen trein het perron verglijden zien.
(p. 35)

De dichter wil in de plaats van het 'moeilijke' juist het eenvoudige bezingen:

Spreek me niet. Laat me, zitten, alleen, midden
in het schierschier eeuwig jong riviertje,
aandoenlijk als een blote roeier wiens verzonken
bootje wel nooit bestaan heeft misschien
(p. 35)