Gebed

   Genadig God, die in mijn boezem leest!
Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeeken.
   Aanschouw mijn nood, mijn neêrgezonken geest,
En zie mijn oog van stille tranen leken!

   Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd.
Gy ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen:
   Gy weet alleen het geen uw kind behoeft,
En mint het meer, dan 't ooit zich-zelf kan minnen.

   Geef, Vader, geef aan uw onwetend kroost,
Het geen het zelf niet durft, niet weet te vragen!
   Ik buig my neêr; ik smeek noch kruis, noch troost;
Gy, doe naar uw ontfermend welbehagen!

   Ja, wond of heel; verhef, of druk my neêr:
'k Aanbid uw wil, hoe duister in mijne oogen:
   Ik offer me op, en zwijg, en wensch niet meer:
'k Berust in U, zie daar mijn eenigst pogen!

   Ik zie op U met kinderlijk gezag:
Met Christen hoop, noch laauw noch ongeduldig.
   Ach, leer Gy my, het geen ik bidden mag!
Bid zelf in my; zoo is mijn beê onschuldig.

Bilderdijk is een man van uitersten, tegenstrijdigheden, overdrijvingen en conflicten. Zijn leven is zijn belangrijkste kunstwerk. Als je eenmaal de 'mens' Bilderdijk hebt leren kennen, schreef J.C. Bloem, 'en men is voor zulke gestalten ontvankelijk, dan oefent deze een onvergankelijke aantrekking uit. Onder dit woord moet men niet iets als bekoring verstaan. Daarvoor was Bilderdijk te ruig, te onharmonisch, te zeer in zich zelf verscheurd, vol tegenstrijdigheden en afstotende eigenschappen. Maar hij was een groot en fel-levend mens' Nogal een compliment uit de pen van een schrijver die z'n leven lang nauwelijks met de neus uit boek en glas was weg te slaan. Hij noemt Bilderdijk iemand die 'engel en demon tegelijk' was.

Het is een indruk die wordt herbevestigd bij elke kennismaking met deze half achttiende-eeuwse, half negentiende-eeuwse gigant. Zijn leven torent boven zijn werk uit. Zijn temperament overstroomt zijn poëzie. Bilderdijk is de meest fascinerende figuur van zijn tijd. Er is geen levensbeschrijving - leesbaar, en voor een breder publiek - van Bilderdijk verkrijgbaar. Het oude liedje. Het zegt meer over ons dan over hem.

Romantische hoogmoed en dichterlijke zelfvergroting, ze maken deel uit van het beeld dat we van Bilderdijk hebben.

   Roem mijn werkzaam schrijven niet
   Dat my slechts de borst ontschiet;
'k Hou niet van iets op te vijzelen.
   Die my van een toren stiet,
Zou me in gruizels doen verbrijzelen,
   Maar dat gruis, naar allen schijn,
   Zou gebroken verzen zijn.

luidt zijn gedicht Andwoord aan een vriend. Dat is niet mis. Onder het mom van bescheidenheid ('k Hou niet van iets op te vijzelen) - wat een gevoel van eigenwaarde! Als meneer wordt omgestoten is het van een toren. Als meneer in stukken uiteenvalt is nóg elk fragment van hem poëzie. Toch moet de lezer over een wel héél onontvankelijke ziel beschikken wil hij in dit gedicht niet ook de elegische toon horen - en de tragiek in een uitdrukking als gebroken verzen.

Opvliegend van karakter, zwelgend in taal: in leven en werk beide was Bilderdijk onmatig.

En 't beuk' de krijtaardschors dier breekbre wareldkruiken
En dove 's levens aâm in 't bobblend windvlies uit

het zijn niet de enige regels (deze twee afkomstig uit Eierkoken) waarbij het gevoel je bekruipt een Bilderdijk te lezen die Hendrik de Vries parodieert die weer Bilderdijk parodieert.

En dan is daar het gedicht Gebed uit 1796.

Nederiger kan het al niet. We zien als het ware hoe de dichter zijn best doet achter het behang weg te schieten. Twintig regels lang is hij op zoek naar een verdwijnpunt. Hier maken we niet alleen een Bilderdijk mee die knielt, hier maken we een Bilderdijk mee die zich volkomen wil wegcijferen. Bid zelf in my, vraagt hij zijn God. Het is of, mét zijn karakter, ook zijn taal ingetogener en naakter is geworden. Hoeveel uitroeptekens er ook in Gebed staan, het is een gedicht zonder één uitroepteken. Zij zijn voor een twintigste-eeuwer misschien iets te pathetisch, die uitroeptekens, iets te lawaaierig. Vervang ze door drie puntjes en je hebt te pakken wat Bilderdijk bedoelt.

Alles in dit gedicht is stilte, ingehoudenheid. Woorden worden zelfs ingeslikt. En wil, maar kan. Hoe kwijnend, hoe bedroefd. Hoe duister in mijne oogen. En zwijg, en wensch.

In Gebed zien we hoe de demon zich als een engel kan voordoen. Maar het is geen kwestie van nu eens een vrome bui, dan weer een driftaanval. Het bijzondere van een natuur als Bilderdijk schuilt in het gelijktijdig beleven van uitersten. Demon en engel tegelijk, zoals ik Bloem citeerde die weer Gide citeerde die weer Baudelaire citeerde. De alchemie van het romantische kunstenaarskarakter blijft in dit hoogtepunt van deemoed volop aan het werk.

Bilderdijk denkt tijdens het schrijven van dit gedicht duidelijk aan iets zondigs. Aan iets té zondigs. Hij doet een ultieme knieval. In de slotregel offert hij zelfs zijn bede om zich te mogen opofferen op om zo met gebed en al in blanke onschuld te verdwijnen. Maar hij blijft zich bewust van het spanningsveld van uitersten, en wel daar waar hij zich een 'Christen hoop' toewenst die noch laauw noch ongeduldig is:  noch apathisch noch driftig. De hoogmoed is nooit echt uitgeschakeld.

Gy weet alleen het geen uw kind behoeft,
En mint het meer, dan 't ooit zich-zelf kan minnen

dat kan in een gebed van Bilderdijk tot God weinig anders betekenen dan: en gij weet hoe gloeiend het zich zelf doorgaans bemint.

In Gebed kruipt geen worm, maar een alligator door het stof. Het maakt de nederigheid overtuigender.

© Gerrit Komrij

Eerder verschenen als: '37 Gebed', in: Gerrit Komrij: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 140-143.