Introductie

Voor zijn debuut in 2000 was de Utrechtse dichter Mark Boog (geboren in 1970) actief in een schrijverscollectief dat onder andere het eigen tijdschrift Mondzeer en de Reuzenkreeft uitgaf. Daarin verschenen gedichten (en een vertaling van het Hooglied), waarvan er later enkele in zijn bundels zouden terugkeren. De debuutbundel heette Alsof er iets gebeurt en leverde Boog de C. Buddingh'-Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie op.

Bijna alle gedichten in die bundel namen een huis en weersomstandigheden als uitgangspunt voor filosofisch getinte constateringen en overpeinzingen. Het dagelijkse leven - met een storm die over het huis raast, een afstapje, een geliefde zonder illusies - staat daarbij steeds centraal, maar is door de abstraherende overwegingen tegelijk het algemener leven van een soort Elckerlyc-figuur.

Het is een illusieloos leven dat Boog beschrijft in zijn drie gedichtenbundels, maar steeds blijft zijn werk de luchtigheid en lichtheid van een spel behouden, ook al doordat de vele gedichten varianten op eenzelfde redenatie lijken te zijn. In zijn tweede en derde bundel is bovendien het huis verlaten en spelen de gedichten zich af in zulke uiteenlopende gebieden als stranden en woestijnen.

Het werk in citaten: