1: "Alsof er iets gebeurt"
Mark Boogs debuutbundel Alsof er iets gebeurt (2000) viel meteen in de prijzen: in 2001 kreeg hij de C. Buddingh'-Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie uitgereikt. Het taalgebruik in deze gedichten is eenvoudig, wat niet wegneemt dat zijn lezers worden verrast door bijzondere formuleringen en een aparte woordkeuze. Door het gebruik van de 'wij'- en 'men'-vorm worden de regels een soort constateringen, die een zekere afstandelijkheid uitdragen en daardoor bevreemdend werken. Er is sprake van een welvarende maatschappij, waarin desondanks een vage dreiging voelbaar is. Ook leegte en doelloosheid zijn duidelijke thema's in deze poëzie, die zich toelegt op alledaagse en onalledaagse verschijnselen, zoals een storm die over het huis raast. Bijna alle gedichten in deze bundel nemen een huis en het weer als uitgangspunt.
Laat de avond vallen, ik,
en hou het huis heel stil zodat ik niet gestoord word-
zolang het schemert kan het misgaan.
(p. 7)
Of:
Iets groots, ten minste, is het,
en het dreigt, branding, omver te werpen hem die grootogig toekijkt.
(p. 17)
De sfeer is die van afwachten en overpeinzingen. Toeval speelt een grote rol.
Niet gestoord willende worden,
slechts gestoord door het niet gestoord willen worden,
zachtjes zingend om het ruisen van de stilte niet te horen,
de ogen neergeslagen om het licht niet te zien spelen,
handenwrijvend zit ik, in zalig niets,
en wacht ik op wat komen zal -
want het kan nu. Als het ooit kan, kan het nu.
(p. 23)
De zinloosheid hoeft niet noodzakelijk negatief te zijn. Uit het niks komt juist iets voort, 'alsof er iets gebeurt' zoals de titel zegt. Het gedicht 'Zinloosheid' laat in twee delen zien hoe 'lusteloosheid' omslaat in 'zingeving'. Beide delen zijn sonnetten; dit is het tweede, waarin het Godshuis als een Mensenhuis wordt gezien:
De zinloosheid staat als een kerk
om me heen. Natuurlijk niemand
op de kansel, of misschien een
wereld, generatie, wat dan ook.
Het zegt me niets. Toch vind ik
zin in het bekijken van de lege
nissen waar de beelden stonden.
Werkeloze kaarsen wachtend.
IJl de kerk, gewichtloos het dak,
en hoog, hemelhoog het licht,
bijna doorzichtig. Luchtspiegeling,
toevallig vormgegeven niets dat
in andere tijdsgangen slapend
was gebleven. Huis van mensen.
(p. 26)
De personages dragen geen namen. Ze blijven daardoor anoniem, maar anoniem zoals Elckerlyc, zoals iedereen dus. Ook de begrippen in deze gedichten hebben een hoge graad van abstractie.
Er drijven woorden tussen ons,
ze kunnen soms een beetje zwemmen.
We sturen ze als zelfgemaakte bootjes met een zet op pad,
bestemming mompelend maar zonder al teveel illusies.
(p. 51)
Een terugkerend motief is: licht tegenover donker. Boog schrijft veelvuldig over schaduwen, zon, 'het lange licht van lange avonden' (p. 48), lichtval, het 'niet geheel donkere, late uur' (p. 45), kronkelen, duister, maan, lampen. Het taalgebruik en de motieven ondersteunen de inhoud van uitersten die Boog in zijn poëzie onderbrengt. Ondanks de verstilde, filosofische sfeer die uit veel gedichten spreekt, is de woordkeus dynamisch.
Deze dag, bouwsel van zomers licht,
reikt hoger dan de fundamenten toelaten.
Te zwaaien als een wolkenkrabber in de wind staat hij;
angstvallig blijven we beneden, lopen stijfjes door de straten.
(p. 38)
Veel blijft onbereikbaar, en: 'Wat ons voortbeweegt blijft duister' (p. 16). Het gedicht 'Je oogval' (op één regel na een sonnet):
Je oogval. Je avondverdwijnen. Ik zal daar
nog eens over zeggen wat averechts werkt,
wat je ogen opslaat en je avonden hier houdt.
Je verdwijnt al jaren uit deze vreemde kamer,
één been nog in de opening zichtbaar,
de drempel verlegen naar je reikend. Ik roep je soms
om het samen met me aan te zien. Je komt dan.
Maar ik ontken dat jij het bent die daar gaat,
beroep me op het toeval, op de onvermijdelijkheid:
ze lonken nu eenmaal, zo zijn de woorden.
Ik ontwijk geconcentreerd je blikken.
Ik wou dat je stilzat of elders was en daardoor stilzat.
Ik wil je manen hier te komen, stijlvol te bewegen.
(p. 57)
Het leven blijft in deze bundel een labyrint, een waarschijnlijk zelf verkozen labyrint, dat wel.
Dit labyrint is een rechte weg,
zonder zij- of nevenwegen.
Ik ben als mijn kinderen verdwaald.
Links en rechts, als muren
liggen achterover de velden; als
boekbladen, leeslint daarin de weg.
(p. 31)
En in het laatste gedicht uit de bundel staat:
In de studie van de zinloosheid vinden wij de zin;
want daar is hij.
Dit gedicht sluit de bundel af, zoals die begon, met een afwisseling van rusteloosheid en lusteloosheid, niets en iets, er gebeurt iets alsof er niets gebeurt:
En in onze karakterstructuur, daarin zit ook veel verwijtbaars.
Al kónden wij veranderen, wij zouden er te lusteloos voor zijn.
(p. [62])