2: "Zo helder zagen we het zelden"
Twee jaar na zijn debuut verschenen in 2002 van Mark Boog tegelijkertijd zijn tweede roman (De warmte van het zelfbedrog) en de tweede dichtbundel: Zo helder zagen we het zelden. Deze twee publicaties worden in de kritiek wel beschouwd als een tweeluik door de overeenkomstige thematiek: zelfbedrog en uitzichtloosheid. De stijl doet af en toe sterk denken aan die van Kees Ouwens, en ook aan de droge humor van 'Herenleed' van Armando en Cherry Duyns.
De thematiek en stijl van de nieuwe gedichten sluiten nauw aan bij die van zijn debuut. Boog speelt op een filosofische manier met zinloosheid, 'iets en niets'. Hij werkt in zijn tweede bundel de desillusie van het leven verder uit. De alledaagse werkelijkheid fungeert als een onuitputtelijke bron voor analyse van pijnlijkheden, overigens steeds ruim voorzien van abstraherende en onpersoonlijke begrippen, die de pijn als het ware in soft focus presenteren. Piet Gerbrandy noemde de dichter in een recensie de 'meester van de desillusie' (De volkskrant, 22 november 2002).
(Laat ons leven, laat ons zien, deze lange, laffe dag.)
Wij kijken elkaar aan en zien de woede in ons groeien.
(p. 12)
De hoofdpersoon heeft geen vat op de tijd en ruimte waarin hij zich bevindt. De vluchtige aard van het menselijk leven wordt benadrukt.
We wisten al dat de zin van de ervaring
de herinnering is, en dat daarbij desnoods
de ervaring achterwege gelaten mag worden
(p. 17)
En hij vervolgt zijn redeneringen in gedicht op gedicht:
De middag heeft zich van de dingen meester gemaakt.
De aarzeling voorbij, berusting onbereikt
verstarren wij. De kamer droomt.
(p. 23)
Deze heldere momenten van zelfinzicht leiden tot verdere desillusie:
Een verraderlijke helderheid
valt zich ten deel: niets is duidelijk.
Geen nieuws.
(p. 45)
Het geloof brengt evenmin uitkomst.
Solliciterend de goden -
hooghartig, alsof ze ons een gunst bewijzen -,
zolang kuis de handen van ons afhoudend,
en wij van het onnut overtuigd.
Maar er is ruimte op de begroting
en daarom een vacature; er is alleen geen werk.
(p. 18)
De goden zijn onwelkom en de hemel wordt getart, maar zelfs dat is zinloos:
Niemand
om van boven op ons neer te zien.
Wij moeten helemaal onszelf verachten.
(p. 19)
In deze tweede bundel komt, meer dan in de eerste, de omgang van twee geliefden aan de orde: daarop slaat de 'we' uit de titel, hoewel dat 'we' tegelijkertijd de algemene geldigheid van de ervaringen onderstreept. De twee geliefden draaien om elkaar heen, ze zijn de gevangenen van hun verlangens en van de zinloosheid van hun bestaan. Ze houden elkaar op afstand en lijken daarin te berusten. De bundel begint met enkele liefdesgedichten, maar al gauw wordt er gesproken over ruzies, die typerend genoeg, gaan over 'niets'.
Wij zijn het oneens,
maar niet over belangrijke zaken,
want die zijn er niet.
Wij blijven glimlachend om elkaar heen draaien.
(p. 13)
De geliefden twijfelen tussen afstand en nabijheid.
En breng me, als je toch
bezig bent, een eeuwige duisternis
en een stilte van heb-ik-jou-daar.
Wikkel me in en laat me liggen.
En vraag me dagelijks wat ik wil.
Sta schaars belicht in de deuropening.
(p. 11)
Het beëindigen van de relatie is een oplossing: die voorkomt dat de pijnlijke desillusie op de achtergrond dreigend aanwezig blijft - door de desillusie voorrang te verlenen als het ware. Volgens recensent Peter de Boer ontwikkelt de ik-persoon een 'pantser dat al te veel ongeluk moet voorkomen' (Trouw, 7 december 2002). Het eerste gedicht, 'Afspraak', lijkt daarop neer te komen:
Je vertrok, zei je. Naar verre landen, zei je.
(Alle landen zijn ver, behalve dit, dat onbereikbaar is.)
en:
Ik, op mijn beurt, schokschouder. Ik verdraag alles!
We zullen afspreken niet in elkaars verhalen
voor te komen, zodat niets gebeurd is,
en onze wegen gaan.
(p. 5)
Juist door het bewaren van afstand in de liefdesgedichten en door de zakelijke beschrijving van de dagelijkse realiteit, beziet de verteller zijn geliefde en de wereld om hem heen op een heldere, tedere manier.
In ieders aangezicht het jouwe, in ieders
lichaam jij, een schim, in elk hulpeloos en
bestudeerd bewegen jouw vanzelfsprekende
gratie, de mensheid ten hoon.
(p. 8)
De onderwerpen die Boog aanroert, staan dicht bij de lezer door de huiselijkheid ervan. Hij zoekt het bijzondere in het 'kleine'. Tegelijkertijd werkt de pijnlijke inhoud vervreemdend.
'Pas op het afstapje.' Drang om de dingen
te verkleinen speelt op. Men kijkt verstoord.
Maar zo klein zíjn ze, de dingen.
We glijden van opwinding uit,
tuimelen het ravijn in, slaan schitterend te pletter.
(p. 48)
Het gedicht 'Zo zonder zorgen zitten wij' is op de achterzijde van het omslag gedrukt en dit gedicht kan de indruk wekken dat er nog hoop is, 'dat niets tastbaars ons geluk in de weg staat'. Het blijken aan het eind van de bundel juist ontastbare, geestelijke factoren te zijn die het leven volkomen van zijn glorie ontdaan hebben. Alles blijft echter de luchtigheid en lichtheid van een spel houden. De leegte en de zinloosheid zijn dan ook een luxe probleem, in een welgestelde maatschappij:
Ontblader, boom, val op de miezerige hoofden, hemel,
doe wat. Mij de glorie. Mij de mismoedigheid.
Men ontlast zich niet werkelijk en men draagt
aan de onvolkomenheid zijn eigen lichaam en geest bij.
Tevergeefs, natuurlijk.
(p. 59)
- Lees verder over Mark Boog: 3: "Luid overigens de noodklok"
- Terug naar Introductie