3: "Luid overigens de noodklok"

Luid overigens de noodklok (2003) is anders opgebouwd dan Alsof er iets gebeurt (2000) en Zo helder zagen we het zelden (2002). De dichtbundel bevat wel dezelfde thematiek als Boogs eerdere bundels. Deze is echter op een nieuwe manier uitgewerkt. Waar de dichter eerder zijn gedichten over zinloosheid en desillusie situeerde in beperkte ruimtes zoals huizen en kamers, verplaatst hij nu het menselijk strijdtoneel naar buiten, de natuur in, naar stranden en woestijnen.

Je bent de dode zee die me drijft,
je bent de brede kust, de dreigende bergen, je bestaat.
(p. 51)

De bundel is samengesteld uit vier reeksen gedichten. Begonnen wordt met 'Het oorzakelijk verband'. In zeven gedichten schetst Boog weidse zeelandschappen die op metaforische wijze het leven van de hoofdpersoon duiden. Zoekend naar geluk, maar zich bewust van de kans op rampzalige gevolgen. Daarbij wekken woorden als 'eleganter' (p. 12) en 'zalig' (p. 13) - door hun ouderwetsheid - een ironische indruk.

Ik heb mijn vissen op het droge,
maar ze krijgen de tijd niet om te verstenen.
De meeuwen. De waardeloze want eindige
want veranderlijke vangst.
Het was ook te gemakkelijk, te snel.

Luid overigens de noodklok! Schepen vergaan.
(p. 10)

Zijn sommige woorden en frasen in Boogs gedichten nogal bijbels van stijl, de tweede reeks in deze bundel is een vrije vertaling van het oudtestamentische Hooglied, de dialoog tussen twee geliefden, ooit toegeschreven aan Koning Salomo. Bij Boog heten de geliefden 'een' en 'ander'. Het betreft een moderne, rauwe versie van het Hooglied die echter wel zijn elegante bijbelse stijl behoudt. Deze vertaling verscheen oorspronkelijk in het door Boog mede-geredigeerde tijdschrift Mondzeer en de Reuzenkreeft in 1997. Daarvoor gebruikte Boog een pseudoniem, namelijk Lisa van Basten. In een latere bloemlezing uit het tijdschrift (verschenen als nr. 26 en 27 in 1999) werd dezelfde vertaling onder zijn eigen naam gepubliceerd.

een

Als je weg bent ruik ik je nog.
De geur hangt aan mijn borsten,
je beeft nog in mijn handen.

ander

Verliefde! Je ogen zijn je ogen,
je bent mooier dan de stenen en de vogels.
(p. 18)

In Boogs versie van het Hooglied verlangen de geliefden naar elkaar. In de erop volgende reeks gedichten, 'Het vallen van de muren', komt de sombere, benauwende liefdesrelatie terug die ook in de eerste twee bundels werd beschreven: het kleine geluk, dat soms te groot, maar vaker te klein is.

De afstand groeit. Tegen de
verste muur gedrukt, verdiepingen
verwijderd van elkaar, al uit het zicht:
we zijn nog steeds in ons gezelschap.
(p. 41)

De laatste sectie van deze bundel smaakt wrang. De gedichten zijn geschaard onder de term 'zout' en werden door de NPS gebruikt voor een door John van der Wens gemaakte animatiefilm, die op zijn eigen website (zie Links) te zien is. De hoofdpersoon vereenzelvigt zich met de eigenschappen van zout.

Omvangrijke zoutlagen in deze grond: de mijn
dient gebruikt. Ik, in weekhartig gezelschap, delf,

hak, in de onvolkomenheid het geluk zoekend.
(p. 49)

Daarop sluit het volgende gedicht 'Dan de zee' (veel titels van Boog zijn eenvoudigweg ontleend aan het begin van de eerste regel) direct aan:

Dan dient zich de zee aan waarin wij zout kunnen zijn;
een langzaam verdampen daagt,

een levenslang verdampen dat ons niet zal raken.
Wij zullen achterblijven op de weidse bodem
(p. 50)

Boog doorbreekt de illusies die het leven draaglijk maken. De mythische feniks zal niet glorieus herrijzen.

Zelfs dit weinige kon verbranden.
Uit de as verrijst
niets, een lege vogel,
die ik niet probeer te vangen.
(p. 47)

In drank is geen vergetelheid te vinden:

                                                Droesemgelijk
daal ik af naar de bodem van het glas,
waar ik onrustig slaap.
Ongewenst bezinksel is mijn deel.
(p. 56)

De hoofdpersoon bidt om een troosteloze verlossing:

De drank, de woede, de bijziendheid te danken.
Snoeren van uren bid ik,
ik offer, ik pleng, ik vergiet; en zie:

de dag begeeft zich ten einde,
om mij te verlossen. Ik val.
Een ijskoud, spijkerhard bed in.
Slaap tevreden.
(p. 60)

Boog blijft bij zijn eenmaal gekozen dichterlijk standpunt:

'Van dit alles komt niets. (Dit blijft de mooiste
woordspeling.)'
(p. 12)