1984-1994: "de hijgende wisseling van de seizoenen"
Virus, virus
Pieter Boskma stelde samen met bevriend dichter Paul van der Steen (1950-1991) de bundel Virus virus samen. Het eerste deel daarvan, Virus I, werd gevuld door Boskma; Virus II bevatte de gedichten van Paul van der Steen.
Van de illustraties in deze bundel doet de eerste denken aan het schilderij van Munch ('De schreeuw'), andere illustraties refereren aan de sierlijkheid van Japanse prenten. Ook in de gedichten is sprake van Japanse invloeden op de taal en de omgeving. Voor Boskma staan land en taal, Japan en Japans, voor een betere, minder kneuterige omgeving met uitgesproken liefde en passie. In de typografie van het titelloze gedicht dat Holland en Japan met elkaar vergelijkt, is zelfs een halve maan te herkennen. In dat gedicht staat de volgende strofe:
Ik dacht aan mijn vaderland:
ver vierkantje
in zijn duizenddelig grijs.
In de volgend strofe:
Ze reikte me de sake
Sprak wat klankvolle karakters.
(p. [33])
De tegenstelling is groot. Ook in aparte gedichten is dit onderscheid duidelijk te signaleren. Het gedicht 'Holland zondagmiddag' heeft als motto 'En nooit, neen nooit gebeurt / een mooie passiemoord' van J.J. Slauerhoff. Ook uit het betreffende gedicht van Boskma spreekt dat verlangen naar hevigheid, vooral in de laatste strofe:
Soms na een werkdag voor het huis
verbeten naast elkaar gezeten
wordt een schedel wel gespleten
en verkoold in het fornuis:
één verdomt het eeuwig amen.
Maar het wordt steeds weer dag en blijft bij beramen.
(p. [13])
In het gedicht 'Yoeng Poe Tsjoeng' (dat betekent: van geen nut - deze titel werd ook door Slauerhoff al eens gebruikt) komt een passie naar voren, die voor Boskma bij Japan lijkt te horen:
haastige vlamkammen spatten
van zwart massief graniet.
de stem als brandend bloed
galmt boven de sidder van
verlaten atonale vlaktes.
(p. [11])
Blijkbaar is hij zich van de tegenstellingen bewust, want in het gedicht 'Grenzeloos' wil de dichter de grenzen opheffen:
wie spreekt nog van grenzen
in het strekkend licht
dat rose gloeit door een
schemerwaas van mist
(p. [27])
Na de vroege dood van Paul van der Steen in 1991 zou Boskma als medesamensteller optreden bij de uitgave van diens 'verzamelde gedichten': in 1996 verscheen deze bundel onder de titel Van gelijke duisternis. Die titel was overgenomen van een in eigen beheer gestencilde uitgave uit 1982. Van der Steen was behalve dichter ook illustrator voor verschillende uitgeverijen en hij werkte ook voor Het Parool.
Quest
Het titelgedicht uit de volgende bundel, Quest (1987), is een episch gedicht over een vreemdeling die na vele omzwervingen thuiskomt. De term 'quest' is dubbelzinnig en betekent zowel zoektocht als vraag.
De vreemdeling wordt wakker
op een plas jenever
(p. 70)
en:
Vrienden worden cynisch in de rug geschoten
door de hijgende wisseling van de seizoenen.
(p. 70)
Later:
De vreemdeling tekent een vaderlijke honger
op een letterloze krant waarin
een graat met gele visseogen
als een psalm bestaat.
(p. 71)
Uiteindelijk de thuiskomst:
De vreemdeling komt thuis in de kale vertrekken des vaders.
(p. 72)
En tot besluit:
Op het wankele koord van einde laafde zich de dwaling.
Halfduister dreef een dag van vaderzaadjes op de horizon.
(p. 75)
Een lange reis was een diversiteit aan ontmoetingen en sferen. Bij thuiskomst volgt traditiegetrouw de confrontatie met 'vaderhart' en 'moederoog'.
Als introductie tot het reizen zijn gedichten over relaties en vrouwen te vinden, die er op duiden dat zij voor de 'vreemdeling' aanleiding vormen om de wereld in te trekken. Zoals in 'De wandelaar':
Hij verlaat het huis in scherpe kou. Vijf keer slaat
de torenklok. De schemer valt als op bevel.
(p. 17)
En even verder:
De kelnerin heeft hem verwacht
en ligt in lingerie onthuld om de tap gedrapeerd.
(p. 17)
Er zijn onder andere verwijzingen naar reizen in Italie, Spanje, China en Arabische landen, maar ook naar de fotografie en de camera. In 'Het glas' zegt hij:
aan tafel, zilver maar aardziek
ben ik de zwerver naar het derde oog
(p. 25)
In deze als montages geschreven gedichten komt de dichter zelf af en toe aan het woord, zoals in 'Polaroid poet':
ik maak geen foto's van mijn woorden en
ik kleur niet mee aan ingetogen
beelden zacht en fijn gekneed
(p.28)
Voor hem geen afgeronde gedichten en geposeerde taal. Hier al komt het vitalisme van Boskma's gedichten naar voren: het leven zelf moet er in doorklinken door suggestie, verlangen en extase. Uit het gedicht 'SAPIENS! SAPIENS! (of Het Wijlen Der Piratentijd)', opgedragen aan Paul van der Steen, spreekt weemoed naar een vroeger leven van vriendschap.
Het antwoordloos gebel der torens
luidde een begrafenis
en ook de wind rook naar as
(p. 49)
Verderop:
waarop ik adellijker nog
mijn broek losknoopte want ik had
nu eenmaal het kruis des heren
in mijn jonge jaren moeten eren
(p. 50)
Hij demonstreert een ironische blik op de beeldende kunst en de kopers daarvan:
want de goedkope erotische lijn wist ik
een gier boven het geheim kadaver
dat kunstig leeggepikt en opgezet
prijkte aan menig artistieke wand.
(p. 51)
De bundel besluit met het bij de bundel 'Virus virus' gedeeltelijk geciteerde gedicht over Holland, alleen is de titel nu gewijzigd in 'Epiloog'. Ook het gedicht 'Grenzeloos' duikt in deze bundel weer op.
De messiaanse kust
Met de volgende bundel, De messiaanse kust uit 1989, werd de toon van de gedichten luchtiger, spottender ook. 'Over de onvoltooide dood' grijpt terug naar het bekende gedicht van dichter J.C. Bloem en de spreekwoordelijk geworden regel 'Denkend aan de dood kan ik niet slapen', waarop Boskma varieert:
Denkend aan de dood janken buiten dreigend de katten.
(p. 16)
Bij jankende katten kan een dichter - wie wel? - niet slapen.
In deze bundel, de tweede bij zijn toenmalige uitgever In de knipscheer, staan ook een aantal prozaïsche gedichten zoals 'HOLLYWOOD BLOEDEND (modern magazine)':
Maar wij, de lange stiltes en de kilte van het bed, hingen altijd uit
het lood. De verraderlijkste waanideeën keerden steeds weer naar
ons terug: hoe de Volmaakte Mens nauwelijks alleen de kroeg
indurfde waar het wemelde van het Grote Geluk en botte
pummels van jagen en buit.
(p. 45)
Boskma probeert in deze bundel meerdere stijlen uit. Zoals in het gedicht 'Nu ik' dat is opgebouwd uit twaalf kwatrijnen, die elk aanvangen met 'ik wil'.
ik wil de nacht en daarin de vrouw die ik niet ken
dan voor die ene nacht:
de juiste vluchtelinge op
de grenzen van de zekerheid.
ik wil voorbij de luchtfoto's der steden op het kabelnet.
ik wil de toorn van mijn omslag werpen in bekken van derdehands goden.
ik wil mijn huid en haar verzilveren in de grijns van het nageslacht.
(p. 22)
Of in het gedicht 'Angst' waar het woord angst in de vijf kwatrijnen in totaal negen maal voorkomt:
Angst is het molmen dat zich aan de mikroscoop onttrekt
E n:
Ik zeg: angst is telefoon van ouders die niet arriveerden.
en:
Maar ook zeg ik angst is al het stil en stof daarna.
(p. 24)
Tiara
In Tiara, de derde officiële bundel, past Boskma eveneens wisselende vormen toe. De drie onderdelen 'Desertie', 'Perfectie' en 'Clementie' hebben elk een eigen dichtvorm en toon, waarbij drie motto's, van respectievelijk Nijhoff, Prince en Dante zijn gezocht'. 'Desertie' begint met het gedicht 'Verstrikt':
Dan sissen de platanen en je weet dat iets niet klopt.
(p. 11)
De bundel is een zoektocht naar volmaaktheid, soms, zoals in 'Reistijd' met personifiërende beelden:
Een eiland haalt de schouders op,
Eerst grimmig en met tegenzin,
Dan traag oplichtend in de blauwe
Schaar van lucht en water die
Het afknipt van de horizon.
Dan drijft zo'n eiland
Weer voorbij, net als jij,
Net als jij.
(p. 14)
In de afdeling 'Perfectie' zijn de gedichten titelloos. De gedichten zijn geen klassieke sonnetten, maar nemen die vorm wel vaak als uitgangspunt. Een aantal keren komt opvallend rijm voor zoals klankrijm, eindrijm en alliteratie, zoals in de volgende twee strofen:
Er gloeit iets en het is mijn huid
Gevlekt door puur herinneren:
Wij beiden aan elkaar gewaagd
In het diepste van de dwaas
Die brandt en daarom drinkt.
Ik hef het fonkelend kristal en voel
Je bloed 't mijne verdunnen.
Opnieuw begin je traag en koel
Te groeien in mijn kunnen
(p. 47)
Het slotdeel 'Clementie' doet in de aanvang denken aan een litanie, een klaagzang.
De besneeuwde snelweg bij Salzburg
Deed me toch zó aan je denken, of meer:
Aan wat ik over je dacht toen ik hier
Precies een jaar geleden joeg
Langs dezelfde regels
(p. 63)
Hier wordt teruggeblikt op een liefdesrelatie in een sprookjesachtige decor van vakanties in Italië, met als sleutelwoorden: lichaamstaal en overspel. De reiziger probeert terug te vinden wat er was.
Natuurlijk zwijgen de bomen.
(p. 67)
En:
Dalend in de auto naar de kalme waterspiegel,
Denk ik aan de mogelijkheid van geluk.
Het is de liefde voor het denkbeeld,
Vrije stanza's van clementie.
(p. 67)
Misschien openbaart de zin van alles zich pas in een later stadium als alle delen bij elkaar zijn opgeteld in de stanza's van een gedicht dat vergiffenis schenkt. Japan hangt in 'Clementie' aan de muur:
En dan de details: stokjes, kiezels,
Mini-boompje op de bonsai-bergen, te groot
Geschilderde zwaluw in duikvlucht
(p. 73)
Het gedicht zelf is ingesloten tussen beweringen als 'De hardheid breken is denken' en 'De zachtheid lokken is voelen'. De bundel eindigt waar die begon, op de snelweg:
Ik doorkruiste Duitsland op het oog
Van de onthechte, staarde naar de spanningsboog
Van sparren langs de autobahn
En fluisterde je naam tot klankbehang
Zich op de heuvels plakte
(p. 77)
Het klankbehang herinnert vaag aan het 'Innerlijk behang' van de dichter Lodeizen.
Jij werd wie je bent,
Een wond van mijzelf, en de
Nachtelijke schaker, gewend
Te winnen van mijn wakker ik,
Zet je al mat na vijf minuten
Die tot uren duren.
( p. 77)
- Lees verder over Pieter Boskma: 1995-1998: "Je bent zo stil en zacht" & "je bent zo kil en hard"
- Terug naar: Introductie