1999-2004: "Zoals golven, zonder duidelijk begin"

Het zingende doek & De geheime gedichten

In 1999 verscheen bij zijn nieuwe uitgever Prometheus een tweede bundel met een lange, gecombineerde titel: Het Zingende Doek & De Geheime Gedichten, alles met pontificale hoofdletters. De titel komt overeen met twee afdelingen in de bundel, waaraan andere gedichten zijn toegevoegd. Voor 'Het zingende doek' staat een reeks 'Tussen de zerken', maar ook daarin wordt meteen met brede penseelstreken geschilderd:

Die dag was de hemel een doek
vol wolkenschildering
en zonnelichtgezing.

(p. 9)

Het begint meteen met lange woorden die aan de gedichten van de Tachtigers refereren, in de eerste plaats Herman Gorter, en die de sfeer van een stadspark en villa's oproepen, een idylle:


Daar was ook de dood!
(p. 9)

en een meisje 'in oranje ondergoed' staat voor een muur met als opschrift: 'Leve het sterven van de dood':

En niets bleek wat het leek
te zijn - door de kale takken van
een scheefgezakte treurwilg
siste een forensentrein.
(p. 10)

Na de dood komt als thema meteen ook God op de proppen:


Wie kon er tegen om ongewenst te zijn?
Zij niet, zij keek omhoog, met wimpers
als penselen, haar irissen die mengden
de verf op het palet, want ergens staat
geschreven dat God zoiets behaagt,
en anders deed zij het omdat
iets diep in haar dat vraagt.

(p. 11)

De reeks 'Het zingende doek' bestaat niet uit gewone gedichten geschreven naar aanleiding van een schilderij, maar gaat als in een museum van het ene naar het andere schilderij, van de ene schilder naar de ander, van het verleden naar het heden en terug. Het zijn in wezen reis- en Bildungsgedichten. Ze beginnen met Van Goyen en eindigen bij Malevitch, laveren tussen Andreas Schelfhout en Karel Appel, van Bruegel naar Courbet, van Van Eyck naar Pyke Koch, van Willem van de Velde naar Edward Munch, enzovoort. Er is één uitzondering: het Rembrandt-gedicht brengt de dichter van een binnenstad die gloeiend als een Rembrandt ontwaakt naar de schilder zelf die zijn raam opent. Daarbij worden stijl-elementen van de schilders en kenmerken van hun tijd in het gedicht aangebracht. Van Goyen staat met duinen en zilverberken in twee strakke strofen aaneen. Dan komt verbrokkeling:


Van een ruit spat fel de zon
die door de wolken zakt.

Een gasvlam bij de Hoogovens
slaat over in het dikke hart.

Dan, uit het dolhuis van de nacht,
kwakt Malevitch zijn Zwart Vlak.

(p. 15)

De figuur van het meisje keert in veel gedichten van Boskma terug, zij wordt zowel hoogdravend als met aardse blik bekeken als zij door een steeds nieuwe wereld loopt:

voor degene die kan zien
dat er op haar schouders
tweemaal zeven engelen
zaten te houen en te keren,
en soms te masturberen,
want ook engelen doen dat.

(p. 11)

Spreektaal en terzijdes (zoals die laatste regel) zijn vaste gasten in Boskma's gedichten:


Niets was gekker dan de
werkelijke werkelijkheid,
dacht zij, want zij was
het Meisje, dan mag dat.

(p. 12)

Boskma mag dan een romantisch dichter zijn, de hemelse beelden zijn aards (de engelen masturberen) en de meeste beelden en situaties zijn ontleend aan het dagelijkse leven, zoals het rijden met de tram:



Op straat sprongen de lampen
aan. Zij schudde door een bocht.
Van blauwe geveltrappen droop
de datum van vandaag omhoog.

(p. 12)

en het geluid van de buurman:

De tijgers achter het behang
trekken hun nagels al in.
Gebrul? Welnee. Buurman. Wc.

(p. 45)

De blik is wijds en de greep omarmend; er wordt groots ingezet op:


De onovertroffen barsten van Andreas Schelfhout

en op:

het almaar alles overwinterende Holland.
(p. 16)

Er wordt niet bezuinigd als er geprezen wordt:


Met het alles registrerend oog van Jan van Eyck
(p. 18)

en:

De ongeëvenaarde glimlach van Leonardo da Vinci
(p. 28)

De vorm is afwisselend, nu eens lange gedichten met korte regels dan weer klassieke vormen als het sonnet. Ook in deze bundel weer sonnetten met een extra regel:


een blonde reus met blauwe ogen en een drankprobleem
(p. 29)

Sommige woorden keren met regelmaat terug, andere zijn bijeengegroepeerd als om door herhaling tot een bezwering te komen:

Laat de schreeuwers schreeuwen in hun schreeuwers-
blaadjes, laat de kladderaars hun modellen folteren

(p. 23)

Het heelal en het dagelijks leven worden steeds tegenover elkaar geplaatst:

                                                                              en men
ziet de open deur, de grens, verlokkingen...
(p. 27)

De lezer wordt meegevoerd en de vaart kan plotseling in een hoge versnelling raken:

En weer stromen de uren in kleuren de kleuren
in water het water naar zee - en weer daalt de zon

en schittert en tintelt uit de nerveuze penselen

(p. 29)

Soms is er het subtiele plezier van een eerbetoon aan het trema door de woorden 'leliënvijver' boven het woord 'reünie' te plaatsen. Frequenter is het ruime gebaar, dat iets feestelijks heeft:

Het laken van de sneeuw hangt volmaakt
gearrangeerd en onbevlekt over de daken.

(p. 33)

Aan de natuur ontleende beelden worden afgewisseld met erotische beelden:

In een web van coniferen
spartelde de halve maan

(p. 39)

Landweg en schaduwen, paardenflanken en briesje, ransuil en gesuizel staan tegenover 'spelonken van monden':

Tussen je borsten verdwijnen de sporen
waarop een man naar de horizon jaagt
en tussen je benen gaat roemloos verloren
de zin van de roem en van iedere vraag.

(p. 44)

Elegisch en pront:

je blik je geur je stem en zelfs
je schepping naar mijn beeld

(p. 46)

De God in deze gedichten is de God van de inspiratie, de schepping, 'stem en licht'. Het gaat erom beter te zingen dan een god zou kunnen:

Geen bewering houdt nog stand,
geen vak meer en geen broeders,
nu jij oplicht aan de binnenkant
van het geschilderd zingende!

(p. 47)

De God van Boskma heft een klaagzang aan:

slechts de mensen bewegen in stroop en
stijfsel, de mensen zijn wegen naar niets

(p. 54)

en:

alles is vandaag wel erg dood
en de mensen zij wikken niet eens

(p. 54)

Over religie komen nogal wat terzijdes voor, soms in Reviaanse stijl en als het ware als in het gedicht verwerkte voetnoten:

enfin, wonderen genoeg dus, maar niet
voor allen zichtbaar, je zal maar maoïst zijn,
of gereformeerd, alles kan altijd erger

(p. 63)

De intimiteit van de gedichten is vaak groot:

                                                                              onder
het bed ontkleedden twee kleuters elkaar
voor het eerst, en roken de Ander, en zouden
die blijven zoeken tot hun late dood.

(p. 51)


De aardse komedie

Het verhaal van het lange roman-gedicht De aardse komedie gaat om de avonturen van een fotografe, Sarah, een mystica, Hera, en een dichter, Tosk. Proberen Sarah en Tosk 'de huid van de wereld' vast te leggen, Hera (zoals Hafid Bouazza schreef) ontstijgt aan tijd en ruimte in visioenen en bespiegelingen in een doorzichtige wereld' (NRC Handelsblad, 24 december 2003). Bouazza noemt ook de thema's van Boskma nog eens: 'een zoektocht naar de relatie tussen leven en poëzie - en religie zou ik zeggen als de poëzie hier niet zelf een religieus karakter draagt. Poëzie is een staat van epifanie, van genade, maar wel van een heldere, introspectieve aard'.

Zoals golven, zonder duidelijk begin,
misschien als rimpeling veroorzaakt
door een vis, zich naargelang de wind,
onstuimig of gedwee, verheffen uit de zee
- hun uitwaaierend schuim al zien
ontbloeien tot bewolking -, en een
moment in evenwicht van gravitatie
en cohesie wachten op een breekpunt
waarvoor zij zich gesteld zien door
de wereld der verschijnselen,

zo raakt ook de mens

(p. 9)

ervan doordrongen dat hij niet 'ten hemel' reikt, maar 'zijn idolen achterna stuift', een bewering die in twee strofen volgt en die uiteindelijk samen met de eerste strofe één lang uitgesponnen zin vormt. De lange spanningsboog, de soms archaïsche taal, de lyriek, de vergelijking, de natuurbeelden en de thematiek van eeuwigheid en ogenblik, doen denken aan de Tachtigers, vooral aan Herman Gorter en diens lange gedicht Mei, zie de regel:


Hera zuchtte naakt: juli was ontwaakt.
(p. 17)

Maar dit gedicht zou - vanwege de humor - ook vergeleken kunnen worden met de gedichten van Lord Byron, zoals diens Don Juan.

O eeuwwende in majeur! Zo veel oorlog,
zo veel vrede!

(p. 10)

zo citeert Boskma. Ruim baan aan de vitaliteit, kortom. Over de taal schrijft hij:

de taal van later en later, het zoet kabaal
van water, het klinken van de drinkers,
het tinken van de klinkers

(p. 10)

De personages in het gedicht denken na over het gedicht. Hera bijvoorbeeld 'hernam haar dag':

Buiten scheen alweer de zon. De aarde droogde op
en lag tevreden in het rond. Zoals het landleven
kon rijmen! De uren op elkaar! De bomen
op haar benen! - o nee, dat was alliteratie.

(p. 13)

Ook rijm wordt onmiddellijk becommentarieerd:

Hera grijnsde en kreunde,
gleed weg in slaap in val
in hoor sirene nadert al...
Dat rijmt, ha, dat rijmt...

(p. 151)

De handeling in het gedicht verplaatst zich van New York naar Vermont en vandaar verder naar Amsterdam, Friesland en Italië. Overal blijft het uitspansel in zicht, het heelal in gedachten:

Langs een strakke nacht trokken straks de
satellieten - want waar een wil was, was een wet.

Maar waar een wet was, kwam gedonder -
Niemand leek te kunnen heersen over Iedereen.

(p. 15)

Dat ligt niet alleen aan de mensheid:

God bleef toch een twijfelaar
(p. 21)

Het leven in New York wordt bezongen:

Toen drong het lieflijk-beklemmend gegrom
van airconditionings weer tot haar door,
uit stratenroosters wolkte warm Parijse wasem
uit de jaren vijftig, en de wandelaars stroomden
als vissen door de brede Avenues, elkaar
behendig ontwijkend, een excuus op de lippen,
niet in het minst geïnteresseerd om bloed te zien.

(p. 26)

Hera, de mystica, doet haar zegje over atheïsme:

en dat de atheïsten slechts de buitenkant
bezongen van de bomen en dieren des velds,
van opperhuid en haardracht, maar nooit
de sappen van een duizendjarige sequoia
of het zoete otterbloed van een pasgeborene
en dus nimmer het binnenste bloeien betrapten

(p. 30)

En misschien is dat wat in dit lange gedicht geprobeerd wordt, religie of geen religie, God of atheïst: het binnenste bloeien betrappen. Het is een van de kenmerkende eigenschappen van het vitalisme: het leven in al zijn aspecten vangen.

Hoe eenvoudig had hun lichaam ingegrepen, elke
taal overbodig, alle twijfel tot cliché gemaakt.
Zo snel begon men opnieuw met zijn leven,
in lichter decors, met ruimere adem, en zag
op huid en haar een dans van koele vlammen

(p. 34)

Er wordt aan één stuk door gepraat, lijkt het wel:

Hera stond versteld van haar veelstemmige gedachten.
Zodra je je ogen opende, kwam die kakelstroom op gang.
Zat hier zeker in de lucht.

(p. 39)

De gedichten bestaan steeds uit tien regels, niet rijmend, met willekeurig enjambement, waardoor de indruk van een almaar doorgaande stroom ontstaat. Soms staat er weer een extra regel tussen.

en ze was van die rare regels gaan houden
(p. 43)

staat er over Sarah, die niet meer weet of zij zich zijn regels herinnert of die zelf verzonnen heeft:

want bij iedere regel dacht zij aan hem bij wie de taal
begon, alle taal, haar hele denken.

(p. 43)

Er komen in die taal ook weer van die lange Tachtigers-woorden voor, zoals:

tederglimlachendverliefd
(p. 43)

en:

huisjebedliefdeliefslaap
(p. 44)

en:

gekzenuwachtigontroerend
(p. 46)

De gebeurtenissen worden verteld zoals dat in een dagboek, een roman of een ooggetuigeverlag ook wordt gedaan: zonder opsmuk, feitelijk, zonder quasi-lyrische toevoegingen.

Ze liepen uren langs het strand, soms helemaal
tot Newcomb Hollow en namen in de schemering
rozig en tevreden de taxi terug naar huis.

(p. 47)

Ook de seks is opnieuw present, zelfs voor Hera, de mystica, die 'zich grimmig tussen haar benen' streelt:

golvende Hera kwam klaar en kwam klaar
en kwam... klaar.

(p. 50)

Zij kent niet alleen de dichter, ook over het gedicht zelf droomt zij een en ander:

                     en hij haar met dubbele tong
had verteld van zijn werk aan een vers van wel
vijfduizend regels waarin hij alles zou zingen
' van ons gescharrel over de aardbol en onze
lieflijke sterfelijkheid, een grap om te huilen,
een traan van het lachen, het hele wankele
staketsel, dat wij, als Zijn evenbeeld, voort
hadden gebracht, o spiegeling der schepping.

(p. 51)

En Sarah's indrukken komen overeen met die van de lezer:

                 Sarah begon de dicht beschreven
pagina's te lezen, eerst met verbazing,
maar algauw meegesleurd door de tomeloze
woordenstroom waarin zij zich geheel verloor.

(p. 62)

Dichten is een passie voor deze dichter, een must:



Zo was dat. Wie geen stem had,
begon te schelden en te zaniken,
maar wie zijn stem gevonden had,
zong de hele dag zijn lied van Alles
in Alles - en Meer

(p. 69)

In dit lange gedicht over de 'zin van het leven' zijn enkele wonderen noodzakelijk. Hera wordt bij een vliegtuigongeluk door de hand van God gered.

Nou, dat had ze in dat vliegtuig wel gezien!
De zin van het leven... Er was de dood en die
sloeg zinloos toe, liet een kind ontploffen
en een honderdjarige ontslapen in zijn slaap,
onthoofdde hier een mooie naakte meid
van zesentwintig, reet daar de schedel open
van een jochie dat diezelfde dag had leren
fietsen. Veel systeem zat er niet in, je wilde
het ene en kreeg dat wel of niet, of je wilde
het andere en kreeg dat wel of niet,

en zo bleef je eindeloos kind en al wat je deed
kon je net zo goed laten en al wat je liet dus ook
net zo goed doen, en ze kon maar niet begrijpen
waarom die hand uitgerekend haar had opgetild,
waarom zij gespaard gebleven was van wat zij ooit
moest doen: sterven net als iedereen, waarom langer
uitstel van het onvermijdelijke? Zij voelde opnieuw,
als zo vaak, hoe de hand haar hoog had opgetild
toen de trein opeens vaart minderde. Even sloeg
de schrik haar om het hart - zou zij weer vallen,

spleet de bodem, slokte vuur haar ditmaal op?
Maar de trein reed kalm Leeuwarden binnen.

(p. 130)

Het gedicht is op de helft aangeland in de geboortestad van de dichter. Meer citaten zijn opgenomen via de Links.