Boskma en de kritiek
De stemmen pro en contra een dichter willen nogal eens fel zijn. Dat is duidelijk het geval bij Pieter Boskma. Enkele persstemmen:
Over Het zingende doek & De geheime gedichten schreef Rob Schouten (Vrij Nederland, 8 januari 2000): 'Kosmische dichters zijn in Nederland, met zijn zuinige aard, niet dik gezaaid en misschien juist daarom vallen ze direct ook zo op: Herman Gorter, Obe Postma, Marsman. Ook Boskma is een bijzonderheid: ik ken in Nederland op het moment geen dichter die zich in zijn poëzie zo intens laat meeslepen door de mystiek, de magie, het overdonderende van de werkelijkheid'.
Peter de Boer (Trouw, 22 januari 2000) schreef echter: 'Het klinkt meestal wel, maar het betovert niet'. Hij deelde de mening van Rob Schouten niet: 'Ik geef onmiddellijk toe dat er her en der mooie en bevlogen passages in de bundel staan. Toch beklijven zijn gedichten vrijwel nooit. Er zit in hun gepassioneerde beweeglijkheid iets geposeerds dat bij mij de aandacht en interesse telkens doet verslappen. Boskma drijft te veel op zijn zelfgeroemde verbale talent en legt daarbij de lat niet altijd even hoog. Het opzichtig aanleunen tegen Gorter komt Boksma's poëzie evenmin ten goede'. Zijn slotconclusie is: 'Hij verwart hartstocht, pathetiek en een modern opgetuigd impressionisme met sensitivisme'.
Adriaan Jaeggi schreef over dezelfde bundel (Het Parool, 10 december 1999): 'In Tongen is typerend voor het huidige werk van Boskma: verheven en platvloers tegelijk, flauwiteiten afgewisseld met verrassende vondsten, en vooral: onvoorspelbaar'.
Over hetzelfde slotgedicht uit de bundel schreef Schouten: 'het wordt gedragen door typisch bijdetijdse modulaties, die het geheel precies de goede Reviaanse relativering geven. Wenende Mariabeelden, een zich openbarende roos, halleluja, hare krisjna, new-agers, een kerk gebouwd op 'Schoonheid'.
Jaeggi voegt er aan toe: 'Nee, van voorspelbaarheid kun je Boskma niet betichten. Het is denk ik een van zijn grote kwaliteiten. Hij is bedreven in zijn vak, romantisch van karakter en lenig van gedachte, maar dat alles is niets waard als er niet ook een soort koppigheid bijkomt - koppigheid - die hem een lang episch gedicht over schoonheid, het geloof en God doet besluiten met: "nemen wij een slokje want de wereld is nog jong - Zo is dat, wil je neuken, Ja lekker dat lijkt me wel wat, Hè hè, Hè hè. Dat lucht op". Ik zou het niet durven, en u ook niet. Wat me een overtuigend bewijs lijkt voor de grote dichterskracht van Pieter Boskma'.
Schouten zegt daarover: 'Daar heb je Boskma op zijn meest typisch, in opperste zelfverwezenlijking ontstijgend aan die hele Nederlandse omgeving van "bewerende", rationele dichters. Hij is een zanger en een schilder, geen denker of geleerde. Boskma is ook een aards dichter; het fysieke, organische en viscerale stromen door zijn gedichten'. En: 'Aards is hij maar niet werelds. Integendeel, eerder inspireren hem de mythe, het gesublimeerde, het sprookje, dan de rauwe werkelijkheid van alledag'.
Over de bundel Temidden van de tijden schreef Arie van den Berg (NRC Handelsblad, 29 mei 1998): 'Dit zijn regels die niet prijsgeven wanneer ze geschreven werden. Was het in 1898 of 1998? Ze zijn tijdloos, zoals de meeste passages in deze bundel. Komt het daardoor dat haast elke verwijzing naar ons eigen tijdperk een humoristische bijwerking heeft? Of hanteert Boskma zijn moderne ingrediënten bewust als tegengif voor de melancholie die zich niet laat dateren? Zelfs in zijn humor trouwens schuilt een tikkeltje zwartgalligheid'. Over de verwantschap met Gorter schrijft hij: 'Krachtige verbeelding, lyrische durf, melancholie en erotiek: Boskma jongleert op het koord van de sensitieve Gorter. Dat hij daarbij soms uit lijkt te glijden, in rijmdwang struikelt of in grootspraak verzandt, is een logisch gevolg van zijn gewaagde inzet'.
Rogi Wieg bewandelde de weg daartussen: van verguizing naar bewondering. In 1987 schreef Wieg nog (De Volkskrant, 11 december 1987) over Quest: 'Uit zijn werk spreekt weliswaar een romantische hang naar vrijheid en onbegrensdheid, maar hij heeft te weinig onderwerpen en een tekort aan zeggingskracht. Het verlangen wordt te weinig gethematiseerd. In de meeste gevallen klinkt er weinig meer door dan een houding'.
In een recensie van Simpel heelal (Het Parool, 24 april 1998) komt hij op zijn eerdere oordeel terug en noemt hij de dichter 'onderschat'. Hij vraagt zich af of het etiket van de 'Maximalen' daaraan debet is. 'In de loop der tijd werden de verzen van Boskma mooier, gevoeliger, speelser, serieuzer en minder opstandig. De bundel bevat veel schitterende lyriek: zeer muzikaal, "breed", afwisselend en ontroerend. Pieter Boskma is op de beste weg die hij kan gaan'. Wieg noemt De messiaanse kust een 'keerpunt'.
- Terug naar: Introductie