2: "Verdwaald geraakt naast balpootkast"

Huisraad

Het motto van Huisraad (1998) luidt: 'Dit jaar zijn aller zielen te lui en zatjes om op te staan: vers kweeënnat in oude zakjes.' Soms zijn de teksten absurd grappig. 'Spinmaal' is een gedicht over een vlieg in een spinnenweb, de omschrijvingen hierin zijn vindingrijk.

Inkerig de zelfspijziging der kruisgaand gebukte
buiksloof die op blote voetangels trilling leest.
Zwarte engeltjes ontrollen haar kwatong,
tot morse tekens gerijd: 'het aas alweer wemelend'.

(p. 27)

In de afdeling 'Muziekeind' staat een gedicht over de opstanding uit de dood: 'Resurrectie'. Het bevat weer beestjes, snelle buikpotigen. Brassinga gebruikt klankrijm op 'e', in de woorden dennen, knel, spelde, sneller, kent. Daarnaast gebruikt ze alliteraties. Hier vinden we ook een van de vele neologismen (nieuw gevormde woorden) waar Brassinga bekend om staat, namelijk het woord 'dodepop'.

Het is goed oefenen op dennennaalden in het bos.
Dodepop omknel ik jou: de intieme speldeprik.

Straks een eenzame handeling in de kist - ontaarden.
Laag bij de grond nog, weerlicht het al

razendsneller buikpotig vertoon dat geen lust kent
dan inpakken, leegslorpen.

(p. 28)

Verschiet

In 2001 verscheen de meermalen bekroonde bundel Verschiet. Naast gedichten van Brassinga staan hierin ook de vertaling van een gedicht van Samuel Beckett en de vertaling van drie gedichten van Ingeborg Bachmann. De uitgave kwam mede tot stand dankzij een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren.

Geluk zit soms in kleine dingen. Zoals in het gezang van een merel. In het gedicht 'Roeping' vraagt de ik-figuur zich wanhopig af of het geluk ooit op zijn pad komt, of dat hij het net misloopt door omstandigheden. Voor de zekerheid beeldt hij zich - 'de oren toegestopt' - daarom het geluk van anderen in, die in andere streken of andere tijden urenlang of zelfs maar eventjes de merel horen fluiten en gelukkig zijn.

Fluit er een merel, dan voel ik geluk.
Fluit er een merel ten hemel schreiend mooi
in China terwijl ik niet in China ben;

heeft naar verluidt men hier ter stede merels
ook gehoord in het blauwe schemeruur
van 3 Februarij 1603; zal, naar verwacht mag

over zes weken, in mijn tuin hun lied weer
klinken; stel dat ik al op weg zal zijn
gegaan, naar China, of het onbekende

voorbij de grens van mijn bestaan - hoe nu hier
leven zonder geluk?

(p. 9)

Toch kunnen merels ook wel minder vrolijke gedachten oproepen, zo blijkt uit 'Merelloos', waar 'moeder esdoorn lief' de 'kastanje die krankzinnig is geworden van de brullende merels, heel mooi zoetgevooisd melodieus maar toch' voorhoudt dat het gelukkig al weer bijna winter is. De ik-figuur heeft daar zo zijn bedenkingen bij:

winter! Schrale jij ontroost, mompel ik,
ontroostbaar besprongen door heimwee
naar vroeger, toen voorjaar bestond

zonder mij. Maar van weeromstuit rollen
uit mijn knikkers weke parels en stralen
sterren in hun bloeddoorlopen breken.

Nabij nabij o en voorgoed nabij o
koude klonterpap van modderdonker
merelloos het binnenste der aarde schoot.

(p. 14-15)

Brassinga geeft haar lezers bijles in romantische zaken in 'Hoe te zoenen op straathoeken'. Het moment van een kus is niet van belang: 's avonds laat, vroeg in de nanacht of vroeg in de dageraad, alle tijdstippen en omstandigheden lenen 'aan dit publieke werk subliem cachet'.

Het zij een zwijgen van koralen
vergaan van dorst in lafenis -
van wakend ontslapen bevinding wellicht
doe dus vooral de ogen dicht.

Men neme niet de tijd
die schenkt zich wijd en wijd -
in deze zachte voorportalen
heerst onafzienbaar innigheid.

(p. 33)

Timiditeiten

In 2003 verscheen de bundel Timiditeiten, waarin zwart-wit foto's van Freddy Rikken zijn opgenomen. Soms staan foto en gedicht naast elkaar, soms is de tekst in het beeld opgenomen.
Anneke Brassinga heeft ooit eens gezegd de 'muziek' in haar gedichten belangrijker te vinden dan de inhoud. Deze muziek is overduidelijk aanwezig in 'Oor', in dit geval zelfs inhoudelijk. De dichter 'smacht sostenuto naar jouw lieflijk zondoorschenen oor' waarin de muziek zich vergiet.


                        Zo binnendwalend de muziek
en bevend ongewis kunnen wij kuis verlustigd
voelen rijpen ons onvermijdelijkst verdriet.

(p. 12)

In 'Glimworm' worden eigen problemen opzij gezet om een in huis verdwaald insect terug te brengen naar de tuin waar het thuishoort.

Zij lag te lichten ver van lommer
in zomernacht verdwaald geraakt
naast balpootkast op stalhuisvloer
van kale planken: uit groene vonk
ontsprong de volle tuin der lusten
die ik van buiten kwam ontvlucht.

(p. 23)

Een bijzondere waarschuwing wacht de wanhopige persoon die aan zelfmoord denkt in 'De rivier en het knuffeldier'. Aan de rivier waarin hij overweegt te springen zal het niet liggen, want de rivier houdt van iedereen, dus 'in haar armen mag je liggen, schoon zal zij je likken tot het bot'.

Maar wat je meedroeg al die tijd,
het knuffeldier zo zacht zo dwingend
met zijn domme trouwe knoopjes

die oog hebben voor niets dan voor jou,
het hopeloos met hart en ziel verslingerd
wollig wezen dat van jou is, bij geen ander

ooit nog die versleten warmte vindt -
hem moet je achterlaten en verraden
als je de lonkende rivier ingaat.

(p. 84)