Een ontdekking in Zweden

In oktober 2004 ontdekte Piet Verkruijsse, Neerlandicus, bibliograaf en boekhistoricus van de Universiteit van Amsterdam, bij toeval drie nieuwe gedichten van Bredero in een tot dan toe onbekende druk uit 1612 van Tragedische of Klaechlycke Historien. De Historien gaan terug op novellenbundels van de Italiaan Mateo Bandello en zijn in het Nederlands vertaald via Franse bewerkingen van Boaistuau en Belleforest. De bundels werden herdrukt tot het midden van de zeventiende eeuw.

Verkruijsse vond de gedichten tijdens een onderzoek dat gericht was op fondsreconstructie van de Amsterdamse drukker Cornelis Fransz. Automatisering heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontdekking, zo verklaarde Verkruijsse in een interview met Het Parool:

‘In 1996 brandde de stadsbibliotheek van Linköping af. Behalve de oude boeken. Omdat ook de catalogi verloren gingen, zond men de boeken naar de Verenigde Staten om ze te laten catalogiseren. Die gegevens zijn meteen aan World Cat gehangen, een digitaal systeem waarin catalogi van bibliotheken over de hele wereld zijn te raadplegen. Ik toets Cornelis Fransz in en ik vind een door hem vervaardigde druk van Tragische Historien. Uit 1612.’
(Het Parool, 15 oktober 2004, p. 20)

Verkruijsse trok naar Linköping, Zweden, en bestudeerde in de stadsbibliotheek de nieuw ontdekte druk die het vierde deel van de Historien bevatte. Hij vond twee originele gedichten en een vertaald gedicht van Bredero. Naast teksten die door Bredero zelf zijn geschreven, werden in dit deel ook vier nieuwe lofdichten op hem ontdekt: een daarvan is van de hand van Karel Quina, een vriend van Bredero. Een tweede lofdicht is geschreven door J.J. Starter. De twee andere lofdichten zijn van onbekende auteurs.

De vondst van de sonnetten betekent meer dan een uitbreiding van Bredero’s werk. De nieuwe gedichten ondersteunen gegevens die al bekend waren over de literaire situatie in Amsterdam aan het begin van de zeventiende eeuw. Binnen D’Eglentier, de rederijkerskamer waar Bredero vanaf 1611 deel van uitmaakte, waren er spanningen tussen de conservatieve en de vooruitstrevende auteurs. De behoudende, oudere auteurs uitten kritiek op het werk van jongere collega’s zoals Bredero en Starter. In de sonnetten die nu aan Bredero’s oeuvre toegevoegd zijn, verweert hij zich tegen die kritiek.

De nieuwe gedichten
Het ‘sonnet op de droeve gheschiedenisse’ en het ‘clinck-dicht tot den Berisper’ vormen een verweer van Bredero tegen de critici die zijn werk negatief beoordeelden. Het derde gedicht is een vertaald grafschrift.
Het tweede sonnet heeft een extra waarde: de opmerking ‘Dees Rijmen zijn niet al, doch meest van mijn ghemaeckt’ in regel vijf geeft aan dat in Keersmaekers’ editie van de Vertaalde Gedichten (1981) ten onrechte gedichten aan Bredero zijn toegeschreven.

Sonnet op de droeve gheschiedenisse
GHy Minne-quiiners staackt u suff end’ kuerich mallen,
V harteloose zorch, u vrye slaverny,
V bitter-soet verdriet, u wiise rasery,
V geyle dolle lust, en u moedtwillich dwalen.

Hoort dees vertaelder eens heel eygentlick verhalen
De droeve eynden van de sotte vryery,
Van eer-sucht, hoochmoedt, list, wraeck, ontrouw, Ialousy,
Tot spiegel, nut en lust, verduytscht in duytscher talen.

Wat grimmert zit daer gints en gluert met slings ghesicht?
’t Is Zoylus die erkauwt mijn ongehavent dicht,
Daer tock’lend hy met stooct zyn laster-mont vol schanden:

Hy raest om dat ghy boocht van miin gheringhe kunst,
dees onverdiende eer (in danck miin vrienden gunst)
Veroorsaect my meer smaets van bitse snooy vyanden.

G.A.B. 'tCan verkeeren.

Clinck-dicht tot den Berisper
GHy die uyt oude haet en niet met waerheyt laeckt
maer toont u schalck begrip int vinden der gebreken,
Wt roem, uyt vreucht, uyt nijt, uyt wreeck-lust om te wreken,
Van daer misschien mijn Pen u ergens heeft gheraeckt.

Dees Rijmen zijn niet al, doch meest van mijn ghemaeckt,
Onwaerdich on by 't Frans te werden vergeleken,
Ick kent, ick lijt: maer ghy kundt niet dan lachter spreken,
doch Schemper saechdy 't proos villicht ghy beter spraeckt.

Maer wat? U bosen aert die keertet al ten boosten:
Voor 'tweynich van mijn doen sal ic my 'tsnappen troosten:
Doch van eens anders werck begheer ick schand' noch eer.

Het schelden is geen kunst. Een Boer sal stout'lijck wraken
Tgheen hy in duysent jaer niet schoonder en soud' maken:
Berispt, verbetert, sticht den Leerling door u leer.

G.A.B. 'tCan verkeren.

Epitaphie ofte Grafschrift
Van Fenitie Lionati.

Hier light een dochter schoon, de phenix van de vrouwen
Door een quaet ongeluck, onwaerdelijc beticht,
Door een te wreede daet, van een vals Ridder licht:
Die haer beschuldicht heeft: met schandelijc ontrouwe,

Onschuldich heeft dees maecht, wiens graf ghy moet aenschouwe.
De bleecke doot begeeft, voor so eenen minnaer
Die haer reyn eere stal: ô Hemel in u schaer
Verkoos sy liefst een rust, en liet dit dal vol rouwe.

En weent dan Leser niet, dewijl ick sonder schult
De wereld hier verliet: ick ben met vreucht vervult,
Ghenietende t'profyt, van myn onnooselheyt.

Ick laet t'begeeren nu (nu my) aen desen die
Sonder het ondersoeck, van waerheyts wis geschie
Op t'geen syn tonge sprack, sal leven in droefheyt.

- De teksten van de nieuwe sonnetten zijn ontleend aan de website ‘Nieuwe gedichten van Bredero en Starter’ (Zie Links)