Overig werk

Naast gedichten en liederen schreef Bredero ook toneelwerken. De bekendste daarvan zijn de Klucht van de Koe (1612),  Moortje (1617) en Spaansche Brabander Ierolimo (1617). Bredero’s toneelwerk is onder te verdelen in drie genres: kluchten, blijspelen en ‘Palmerijnspelen’. Een drietal werken bleef door Bredero’s dood onvoltooid.

Kluchten
Bredero schreef vier kluchten: De klucht van Symen sonder soeticheyt (1612), Klucht van de koe (1612), Klucht van de Meulenaer (1613) en Klucht van den Hoochduytschen Quacksalver (1622). In 1622 verscheen bij Cornelis Lodwijcksz vander Plasse een uitgave van deze kluchten. Vander Plasse nam in deze uitgave nog extra teksten op onder de naam ‘Vermeerderinghe’: Een ander clucht. Van een Huys-man en een Barbier en het liedje 'Van seven ghesellen'.
De klucht Van een Huys-man en een barbier is gevonden tussen de nagelaten geschriften van Bredero. Het stuk telt slechts 186 versregels, waarvan er 146 ingenomen worden door de Huys-man en de overige 40 door de Barbier.
Vander Plasse voegde naast deze klucht en het liedje 'Van seven ghesellen' ook twee kluchtige fragmenten toe: De gheboorte van Luys-bosch, alias Robbe-knol en Claes Cloet met een roumantel, met witte kousen en een smeerige Smits schoots-vel an. Het fragment over Claes Cloet sluit aan bij het derde deel van een gelijknamige klucht van C. Biestkens (1619). Deze klucht werd pas na Bredero’s dood gedrukt, maar was al eerder opgevoerd op de Nederduytsche Academie. Het kan zijn dat Bredero het stuk al gezien had voor hij bij de Academie betrokken raakte, dus nog in zijn tijd bij D’Eglentier, want in 1612 schrijft hij in Griane over de ‘aalwaardighe Klaaskloet’ (vs. 1492).

Blijspelen
De twee blijspelen van Bredero behoren tot zijn bekendste werken. Moortje werd in 1615 geschreven naar het voorbeeld van een Franse vertaling van Terentius’ Eunuchus, een spel uit de Romeinse oudheid. In hetzelfde jaar wordt het stuk opgevoerd bij D’Eglentier. Twee jaar later, in 1617, verschijnt Moortje in druk.
Zijn Spaanschen Brabander voltooit Bredero in april 1617, zo blijkt uit de aantekening aan het einde van de eerste uitgave: ‘Volmaeckt in ’t Jaer 1617. In April.’ Het blijspel wordt in hetzelfde jaar opgevoerd aan de Nederduytsche Academie. De Spaanschen Brabander gaat terug op de schelmenroman Lazarillo de Tormes.
Zowel Moortje als Spaanschen Brabander is gebaseerd op een buitenlandse, anderstalige bron, maar Bredero heeft zijn bewerkingen gesitueerd in Amsterdam. Deze aanpassing oogstte kritiek: de verandering van de oorspronkelijke buitenlandse achtergrond naar de Amsterdamse omgeving verminderde volgens critici de geloofwaardigheid van het stuk. Andere kritiek richtte zich op de te uitgebreide monologen die Bredero schreef voor zijn bewerkingen; zo houdt een personage een monoloog van 119 versregels, vanaf het moment dat hij zijn bediende ziet en tot het moment waarop die bediende hem aanspreekt (In Moortje, vs. 2868-2995)

Palmerijnspelen
Bredero schreef drie Palmerijnspelen: Rodd’rick ende Alphonsus (1616), Griane (1616) en Stommen Ridder (1618). Overghesette Lucelle (1616) wordt over het algemeen ook beschouwd als Palmerijnspel, door de overeenkomsten in thematiek en personages met de andere stukken, maar het is een vertaling van een Franse tekst van Le Jars. Het centrale thema in elk van de Palmerijnspelen is een driehoeksverhouding, vaak tussen twee rivalen die strijden om een geliefde.
De Palmerijnspelen gaan terug op El Libro del famoso y muy esforçado Cavallero Palmerin de Oliva (1511). De verhalen over het personage Palmerijn waren een voortzetting van de Amadísromans, over de Spaanse held Amadís. Los quatro libros del virtuoso cavallero Amadis de Gaula werd tussen 1465 en 1474 geschreven door Garci Ordoñez de Montalvo. In 1546 verscheen het eerste deel van de Amadisromans in Nederlandse vertaling. De ‘Palmerijn van Olijven-roman’ verscheen in het Nederlands in 1602 en 1613.
Het was gebruikelijk om een al bestaande tekst als basis voor een toneelstuk te kiezen: zelf verhalen bedenken leek overbodig, de bestaande literatuur bood immers genoeg stof om te bewerken. De keuze van Bredero was echter niet standaard: er zijn maar weinig bewerkingen van de Amadís- en Palmerijnromans. Cervantes’ kritiek en spottende uitlatingen in Don Quichote over de Amadíswerken hadden daar zeker aan bijgedragen. Naast Bredero heeft alleen zijn tijdgenoot Starter gebruik gemaakt van de Amadísromans als bron: Starters werk Daraïde, dat opgevoerd werd in 1618 en 1621, is ook ontleend aan een van de verhalen over Amadís. In de zeventiende eeuw volgden nog enkele auteurs zijn voorbeeld.

Wat opvalt aan Bredero’s vertalingen van de Palmerijnspelen is de strakke renaissancistische indeling van het toneelstuk in vijf bedrijven. In de tijd dat Bredero Rodd’rick ende Alphonsus schreef, in 1611, was het nog gebruikelijk om het anders gestructureerde rederijkersspel te beoefenen. Dat was losser in opbouw, en werd gekenmerkt door veel ingewikkelde stijl- en woordfiguren.
Bredero heeft zijn basisteksten uit de Spaanse Palmerijnromans op meerdere punten gewijzigd. Hij voegde elementen toe, die ruwweg in drie soorten zijn te onderscheiden: opvulingen, lyrische passages en bespiegelingen, die soms heel veel verzen beslaan, en kluchtige tussenspelen met volkspersonages.
In de komische intermezzo’s lag de nadruk op de eenvoudige werkende burgers. In Rodd’rick ende Alphonsus zijn dat Griet Smeers en Nieuwen Haan, in Griane worden die rollen vervuld door Bouwen Langlijf en Sinnelijke Nel van Goosweghen. In de Stommen Ridder zijn er meerdere volksfiguren: Amoureusje, Manshooft, Moersgoelik en Modde van Gompen. Zelfs in Overghesette Lucelle, niet eens echt een Palmerijnspel, zijn twee van deze typetjes terug te vinden: Pannetje-vet en Lekkerbeetje.

Onvoltooide werken
Bredero liet na zijn dood drie werken onvoltooid achter: Angeniet, Schijn-heyligh en Spel op ’t oud Liedt Het Daget uyt den Oosten. Jan Janszoon Starter was verantwoordelijk voor het voltooien van Angeniet, dat vervolgens in 1623 werd uitgegeven. Matthijs van Velden zorgde voor de afronding van het Spel op ’t liedt het Daget uyt den Oosten, dat uiteindelijk in 1638 uitgegeven werd in de verzamelbundel Alle de wercken. Het toneelstuk is een dramatisering van het lied ‘Het daget uyt den Oosten’.
Het derde stuk, Schijn-heyligh (1624), gaat terug op Ipocrito van de Italiaan Aretino. P.C. Hooft maakte van Aretino’s tekst een prozabewerking, die vervolgens door Bredero berijmd werd.