Eva Cox: Pritt.stift.lippe


De Vlaamse dichteres Eva Cox, geboren in 1970, was al bekend in het poetryslam circuit voordat haar bundel Pritt.stift.lippe in 2004 in de Windroosreeks bij uitgeverij Holland uitkwam.  In 2001 won Cox de eerste Vlaamse Poetry Slam.  Ze trad tevens op in De Nacht van de Poëzie in Utrecht in maart 2004.

De windroosreeks is een initiatief van uitgeverij Holland waarmee de uitgever voortborduurt op de goedkope reeks dichtbundels die in de jaren vijftig onder dezelfde naam werd uitgebracht.

De gedichten in de bundel zijn gegroepeerd rond muziekstukken van popartiesten onder wie Björk en Clouddead.  Ze zijn sterk verhalend en beeldend. Zo is er een meisje met een buik als boter en een vrouw die beplakt is met spiegeltjes waarin de toeschouwer zichzelf ziet. In een cyclus gedichten over de levensloop van een vrouw snijdt de vrouw haar hart uit, legt het op haar knieën en zoekt naar een regelknop. Als haar partner binnenkomt stopt ze het hart snel weg:

Het meisje strijkt. Duwt met scharlaken handen de kreu-
ken uit zijn lijf. Maakt hem steeds strakker. Hij hijgt. Het
meisje kan niet stoppen. Wrijft en wrijft. Dwingt hem
steeds platter. Hij dijt uit over de peluw. Smelt in plooien
over de rand. Grijpt naar haar hand. Het meisje duwt en
strijkt en wrijft, tot hij voorgoed in de matras verdwijnt. 
(p. 28)

Dor middel van alliteratie, klinkerrijm en binnenrijm maakt Cox van deze prozaïsche tekst een klinkend geheel:

Het meisje kent kerels met kelen vol lood. Ze tillen haar lel
en vullen de trechter, roffelen ballast in haar hoofd. Zie
hoe het zakt achter dat vel, hoe het doorzichtig gaat glan-
zen. Zij tokkelt vol dof. 
(p. 28)

De bundel besluit met een brief in archaïsche stijl die herinnert aan de spitsvondigheden van de dichteres Fritzi ten Harmsen van der Beek. De brief gaat over het digitale tijdperk, waarin mailtjes over en weer vliegen. De schrijfster moet zich nog een weg vinden door de 'geglaskabelde letterpest':

Edoch hèt delven vergt tijd. Per pikhouweel
splintersgewijs mij stotterstuitend het neusbeen aan menig promokreet. Tot toch één glinsterding zich door veel dof-
stof zweet. Dus bedenk mij niet te zijn één kropsgezwolle
zweefpoëet die niet van omgangsvormsels weet. Hierzie
het door u alreeds nooit meer gedacht te zullen mogende ontcryptiseren letterweefseltje mijnerzijds. Om alsnog
toch te komen tot het beantwoordding der raadselen: nee
nee Bas, nog gloort aan den kim niet de knikker der web-
stek, noch klotst letterlint zich watervallend tot een tros. 
(p. 31)

Pritt.stift.lippe is volgens het achteromslag van de bundel voor Eva Cox enerzijds een 'kleefkrachtige gelaatsuitstulping' en anderzijds 'verzwijgzaamheid'.
In het digitale tijdperk worden de lippen van Cox blijkbaar niet helemaal verkleefd door de Prittstift. De puntjes geven ruimte voor een eigen invulling - zwijgen of schrijven - door de dichter.

Kurt Snoekx schreef in Literair Nederland in mei 2005: 'Die tegenstellingen in de poëzie van Eva Cox reiken een soort vrijheid aan, een zekere openheid in de blik van zowel dichter als lezer'.