1                          Wat vroege morgenhaanen

2           Doorkraaijen myn poortaal, en luije leedekant,


3        Om my den daageraad onnoodigh te vermaanen?


4      Hoe? nam de Son dan reeds syn breidels, in de hand?


5                            O Neen, myn ooren droomen,


6           Dit lykt geen haanekeel, maar eer een harmony


7   Van snaaren. Hoe zou hier gespeel van snaaren koomen?


8         Myn slaapen viel te kort, 't is noch geen daghgety.


9                             Zoo zyn myn ooren dronken


10    Van slaap. Nochtans ik waak, en praat, en hoor geveel.


11        Wegh donkere gardyn. Sie daar de sonne pronken,


12    In glas, van 's buurmans huis, aan 't opperste kanteel.


13                     Waar seegh ik op dees pluimen?


14          Was 't in Tholouse niet, de tweede steedekroon,


15  Van Vrankryks grootste steên? placht ik hier niet te sluimen,


16          In dit vertrek, zoo vroeg geen violons gewoon?


17                           Men leest in wyse boeken,


18          Van diepe droomers, die, als wakker, 't duistre bed


19          Verlieten, praatende, en doorsnufflende alle hoeken.


20             Noch twyffel ik myn brein van droomen is beset.


21                         Hoor daar, hoor daar de snaaren


22         Verheffen streek, op streek, veel luider haaren trant,


23                Als of se dieper in myn ooren, wilden vaaren,


24                 Om my te lokken, van de warme leedekant.


25                             Nu sie ik wel 't zyn Fransjes


26                 Landloopers, beedelaars, gelyk se te Parys,


27          Aan taafel, viddelen: dees, met hun lichte dansjes,


28              Om Gods wil bidden, ik zoo biddende verrys.


29                          Op luijaard, soek Lowysen,


30     Van Sweeds metaal, of soek wat stuivers, met een merk:


31          Gaat, als aalmoessenier, die bloedjes elders wysen.


32       Wie 's morgens armen troost, begint, met heiligh werk.



Toelichting
Six' verblijf in Toulouse is te plaatsen in 1649, het jaar van zijn reis door Frankrijk naar Spanje. Dit gedicht is door Minderaa besproken in een interpreterend artikel (Minderaa, 1964; vgl. ook Van Es, 1953, p. 168; Michels, 1964, p. 193-194 en Komrij, 1998, p. 86-99). Het staat op p. 308-309 van Six' Poësy.

Annotatie

  • 1
    Wat: Welke, Wat voor een
  • 2
    poortaal: voorportaal, voorhuis (WNT XII, II, 3521)
  • 3
    te vermaanen: te wijzen op (WNT XX, 1180, deze plaats), aan ... te herinneren
  • 4
    de Son: de zonnegod, Apollo
    syn breidels: de leidsels van zijn zonnewagen
  • 7
    Hoe zou hier: Maar hoe zou hier (bij mij thuis) ... kunnen
  • 8
    viel: blijkt ... te zijn geweest
  • 9
    Zoo: Dus
  • 10
    geveel: gevedel, vioolspel
  • 11
    gardyn: beddegordijn
  • 12
    In glas: In een venster
    's buurmans: nl. overbuurmans
    aan 't opperste kanteel: bij de hoogste dakrand (volgens WNT VII, I, 1357 zou kanteel ook de benaming voor een van de trappen van een trapgevel kunnen zijn)
  • 13
    Waar seegh ik op dees pluimen?: Waar was het dat ik mij op deze donsveren te slapen heb gelegd? Pas nu dringt het tot de slaper door dat hij niet thuis is (vgl. myn portaal ( r. 2), hier (r. 7) en het op een logeeradres minder gebruikelijke 's buurmans huis). Misschien dient dees in deze regel met nadruk te worden gelezen: 'dit beddegoed, dat mij niet bekend is'.
  • 14-15
    de tweede steedekroon, Van Vrankryks grootste steên: de stad die onder de grootste steden van Frankrijk de kroon draagt de tweede te zijn. Een contemporain reisgidsje noemt Toulouse 'naest Parys de volckrijckste Stadt van Vranckrijck' (Wegh-Wyser Vranckryck, 1647, p. 52).
  • 15
    placht ik hier niet te sluimen: heb ik hier echter niet vaker geslapen (nl. in voorgaande nachten)
  • 16
    zoo vroegh geen violons gewoon: zonder gewoonlijk zo vroeg violen te horen
  • 18
    als wakker: precies alsof zij wakker waren, dwz. slaapwandelend
  • 20
    Noch twyffel ik: Toch betwijfel ik, of
    is beset: in beslag is genomen
  • 21-22
    de snaaren Verheffen [...] veel luider haaren trant: dat de snaren hun melodie ... veel luider doen opklinken
  • 23
    vaaren: gaan, doordringen
  • 25
    Nu sie ik wel, 't zyn: Nu krijg ik eerst goed in de gaten: het zijn ... (Minderaa, 1964, p. 162-163 interpreteert: 'hij ziet nu, nuchter: daar staan een paar Fransjes, bedelaars, te vedelen, [...]', maar dit daadwerkelijke 'zien' lijkt in tegenspraak met het opstaan van de slaper dat nog moet volgen, vlg. r. 28. Of kan Six de Fransjes vanuit zijn bed zien?)
    Fransjes: Franse pretmakertjes zonder zorgen (vgl. de ook in de zeventiende eeuw al voorkomende aanduiding 'vrolijke Frans', WNT III, III, 4666 en 4669).
  • 27
    Aan taafel: nl. in herbergen?
    dees: nl. deze in Toulouse
    dansjes: danswijsjes
  • 28
    Om Gods wil bidden: Bidden: om Gods wil, geef ons wat!
    zoo biddende: net zo biddend, met hetzelfde gebed, nl. 'om Gods wil, in 's hemels naam dan maar' (vgl. Minderaa, 1964, p. 163 en Michels, 1964, p. 194, die zoo echter opvat als een inleiding tot r. 29: 'als volgt')
    verrys: sta op
  • 29
    Op: Vooruit
  • 29-30
    Lowysen, Van Sweeds metaal: 'Louisen' van koper (vgl. de aanhaling in WNT VII, II, 5511). Het enjambement scheidt hier de even gesuggereerde Louis d'ors van de koperen muntjes waarvan eigenlijk sprake is. In 1649 was ook op het minste Franse kopergeld de kop van Louis XIV afgebeeld. Op oudere munten kon nog die van de in 1643 overleden Louis XIII staan (Le Blanc, 1692, p. 296 en p. 304, afbeeldingen)
  • 30
    stuivers: sous?
    met een merk: met een biljoenmerk, waarmee men aangaf dat het gewicht van de munt door slijtage of muntsnoeiing (opzettelijke muntverkleining) te laag was, of dat, bij munten van hogere waarde, het gehalte edelmetaal in de legering te gering was, zodat de nominale waarde van de munt niet overeenkwam met de intrinsieke waarde. Men sprak van 'gebiljoeneerde munten' (vgl. WNT II, II, 2696-2697).
  • 31
    als aalmoessenier: als was je lid van een armenbestuur
    bloedjes: arme stakkertjes
    elders wysen: naar elders sturen

Voor de bibliografische verwijzingen, zie: Enkele literatuurverwijzingen.

© A.E. Jacobs en het Constantijn Huygens Instituut

Eerder verschenen als in: A.E. Jacobs: J. Six van Chandelier: gedichten. Assen [etc.]: Van Gorcum, 1991, dl. 1, p. 408; dl. 2, p. 431-432.