Wat vroege morgenhaanen
       Doorkraaijen myn poortaal, en luije leedekant, 
    Om my den daageraad onnoodigh te vermaanen?
Hoe? nam de Son dan reeds syn breidels, in de hand?
                    O Neen, myn ooren droomen,
      Dit lykt geen haanekeel, maar eer een harmony
Van snaaren. Hoe zou hier gespeel van snaaren koomen?
     Myn slaapen viel te kort, 't is noch geen daghgety.
                    Zoo zyn myn ooren dronken
  Van slaap. Nochtans ik waak, en praat, en hoor geveel. 
Wegh donkere gardyn. Sie daar de sonne pronken,
In glas, van 's buurmans huis, aan 't opperste kanteel.
                  Waar seegh ik op dees pluimen?
  Was 't in Tholouse niet, de tweede steedekroon
Van Vrankryks grootste steên? placht ik hier niet te sluimen,
        In dit vertrek, zoo vroeg geen violons gewoon?
                           Men leest in wyse boeken,
     Van diepe droomers, die, als wakker, 't duistre bed
   Verlieten, praatende, en doorsnufflende alle hoeken.
       Noch twyffel ik myn brein van droomen is beset.
                      Hoor daar, hoor daar de snaaren
  Verheffen streek, op streek, veel luider haaren trant, 
Als of se dieper in myn ooren, wilden vaaren,
       Om my te lokken, van de warme leedekant.
                      Nu sie ik wel 't zyn Fransjes,
          Landloopers, beedelaars, gelyk se te Parys,
    Aan taafel, viddelen: dees, met hun lichte dansjes,
         Om Gods wil bidden, ik zoo biddende verrys.
                        Op luijaard, soek Lowysen,
  Van Sweeds metaal, of soek wat stuivers, met een merk:
      Gaat, als aalmoessenier, die bloedjes elders wysen.
  Wie 's morgens armen troost, begint, met heiligh werk.

Dit is een van de kroonjuwelen van de Nederlandse poëzie. Wie het niet uit zijn hoofd kent - ben ik geneigd te zeggen - telt eigenlijk niet mee. Toch is het, in tegenstelling tot zulke mede-parels als Constantijntje, 't zalig kijndtje of Klaere, wat heeft er uw hartjen verlept, eeuwenlang in de kelder blijven liggen - en men weet, gedichten worden daar, anders dan schilderijen die op de beurs verhandelbaar zijn, zelden uit gered. Je zou de bekendheid van de Bedelmuziek te Toulouse kunnen vergelijken met de bekendheid van een schilderij van Vermeer of Seghers dat aldoor onder de keldertrap van een adellijke burcht in Opper-Silezië is blijven hangen. De osmose tussen canon en catacombe verloopt in de schilderkunst iets minder stroef dan in de poëzie. Ze zijn met schilderijen nu eenmaal wat verhuiszieker en wendbaarder. 't Zal door het geld komen dat smeert.

Aan gedichten wordt niet verdiend en dat heeft veel met de geringschatting te maken. Zelfs het feit dat de Bedelmuziek te Toulouse óver geld gaat heeft de bieders en lovers die de canon tot stand brengen niet mogen vermurwen. Het gedicht van Six van Chandelier mag dan intussen op het repertoire van de liefhebbers prijken, in de schoolboeken en de poëzie-toptienen komt het nog altijd niet voor. Als ik een bedelaar of een anderszins behoeftige op de stoep zie hurken spreek ik mezelve vermanend de gevleugelde woorden toe:

Op luiaard, zoek Lowijsen!

- maar hoevelen van mijn medemensen zullen dat hebben? Van de Waddeneilanden tot de Vlaamse Ardennen, schat ik, een stuk of drie, vier. Nauwelijks een draagvlak voor gevleugeldheid.

Met die zelfvermaning haal ik, curieus genoeg, ook het enige woord in dit gedicht binnen dat misschien een voetnoot behoeft. De Bedelmuziek klinkt na bijna driehonderdvijftig jaar nog even fris en kan het, dunkt me, geheel en al zonder woordverklaringen stellen, maar die Lowijsen zijn vanzelf Louisen, geldstukken met de kop van Louis erop. Geen Louis d'ors maar - enjambementen zorgen wel vaker voor een kouwe douche - 'Van Sweeds metaal', koperen munten dus.

Daar hebben we meteen bij de kladden wat gedichten, meer dan schilderijen, tot de catacomben veroordeelt: de politiek. Met haar eeuwige zucht tot verandering en wisseling van wat geen verandering of wisseling behoeft maakt ze de taal steeds onbegrijpelijker. Wisselingen van leiderschap en territorium. Veranderingen in spellingen en geldstelsels. Plus ça change... 't Zal opnieuw maar een jaar of wat duren of wij, volk van eurotellers en eurogaarders, zullen zelfs de simpele zin

Als de kleine man een kwartje heeft, dan gaat ie naar de kroeg

uit De kleine vrouw van Kees Pruis als cryptisch ervaren en een voetnoot bij kwartje of dubbeltje nodig hebben. 't Blijft met zulk soort vooruitgang het oude liedje: de poëzie is de dupe.

Six' Bedelmuziek hoeft verder niet gestut te worden door een uitgebreide stellage van verklarende noten - op zich een toevalstreffer en een wonder in de poëtische monumentenzorg. 't Is een voorbeeld van een imperiaal gedicht, van 'het moet zo en niet anders', met nergens een stoplap of de mogelijkheid van een opknapbeurt, zo'n gedicht dat door herhaling niet krimpt of gloedloos wordt en dat je bij iedere herlezing schone lucht door je hoofd blaast.

Het tweegesprek van de dichter met zich zelf, terwijl hij zich tot op het laatst afvraagt of hij al wakker is of nog droomt, pas op de plaats, en verder - pas op de plaats, en verder - het blijkt na een tijd samen te vallen met het ritme van de trippende vedelaars buiten. Als de cirkels van een krakeling grijpen de dansende onzekerheden van de halfslaap en de levendige schelheid van het straattoneeltje in elkaar. De sensatie van het op reis wakker worden in een vreemde stad, hier staat het voor eens en voor al beschreven.

En dan de fenomenale slotregels, met die spreuk-wijsheid van een zichzelf ironiserende vrome die met geld het onheil uit zijn eigen voortuin afkoopt en dat weet, nee, 't is een tijdloos meesterwerk.

© Gerrit Komrij

Eerder verschenen als: '25 Beedelmusyk, te Tholouse', in: Gerrit Komrij: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 96-99.