2: De enige opening is de mijne

De titel Het hotel, de derde dichtbundel van Maria van Daalen uit 1994, benadrukt evenzeer geborgenheid en onderdak als de tijdelijkheid hiervan. Anderzijds is het contact tussen de gasten natuurlijk noodgedwongen vluchtig en toevallig. Ogenschijnlijk – alleen al op grond van titels van de gedichten in deze bundel – treedt er een soort 'verzachting' of tenminste 'toegankelijkheid' op in Maria van Daalen's poëzie: 'Diner dansant', 'Volledig', 'De weg naar Roodeschool', 'Brief over het eindige'.

Maar eenmaal lezend is de toon vertrouwd: hard, dwingend en toch vol aanvaarding. Daarin doet Van Daalen's werk wel eens aan dat van Gerrit Achterberg denken (vergelijk bijvoorbeeld ook de 'elementen-gedichten' uit de bundel Elektron, muon, tau, die in 2000 verscheen, zie hieronder). Ook zijn er referenties aan de formuleringen van Gerrit Kouwenaar.

Iemand moet het staal zijn in de akker,
iemand moet met een lepel uit de grond eten.

Ik verblijf met de grootste moeite
tegen de spalt in op dezelfde plek,
altijd de uwe - voordat je mij loswrikt

en terugstoot door de poort van mijn lichaam
en ik val kleiner en kleiner in

het tot een punt stromende verstand.
Iemand bewerkt  mijn gezicht met stenen,
dit bericht stapelt zich op als pijn

als erts groeit, tot bloei komt en verbrandt.
(p. 18)

In andere gedichten moet 'iemand' zijn lijvigheid 'uitstippelen met familieleden, vrienden en kennissen' en is er geen ontsnapping mogelijk:

De enige opening is de mijne,
het is de beweging die ik bewoon
en waarin ik elke morgen opsta.
(p. 21)

Opnieuw komt de zoetekauw bedrogen uit:

Wie kust in de zomer een mond vol honing,
eet een bij en spreekt: angel.
(p. 24)

In 1996 verscheen de bundel Het geschenk//De maker waarin de zoektocht naar het eigen ik wordt ondernomen in herhalingen die als bezweringen werken:

Elke zeven jaar herhaalt zij mij.
Elke zeven jaar herhaalt zij mijn gehele lichaam
totdat ik heb begrepen wie ik ben, wie zij is.

Ik heb niets begrepen.
Ik heb niets begrepen totdat ik ben afgelegd,
ik begrijp niets meer dan ik ben.
(p. 19)

De volgende bundel, Elektron, muon, tau verscheen bij Querido in 2000. Maria van Daalen's poëzie heeft een zodanige 'dichtheid', dicht qua gegevens, zonder franje of losse einden, strak van opbouw, dat in eerste instantie de aandacht van de lezer uitgaat naar de tekst, de woorden, hun zeggingskracht. De vorm van de gedichten dringt zich niet op. Daarom is des te opvallende dat Van Daalen zich in Elektron, muon, tau uitsluitend bedient van het sonnet.

'Vierentachtig erotische sonnetten bevat Maria van Daalens nieuwe bundel', aldus de flaptekst. De lezer is dus gewaarschuwd. De indeling van de bundel laat ok weinig bewegingsruimte. Vijf afdelingen van elk dertien sonnetten, waarbij de gedichten uit de eerste afdeling in het Nederlands en Engels voorhanden zijn. Het zijn sonnetten voor een verloren liefde, sonnetten in de namiddag, sonnetten van de terugkeer, sonnetten van de opening en ondeelbare sonnetten.  

Uit de tweede afdeling is dit het vijfde sonnet, 'Het sonnet met opzet':

Als ik je niet in je gezicht geslagen
had, als je niet had teruggeslagen , zo hard
dat er na drie maanden nog steeds een zwarte,
een onderhuidse bloeduitstorting lagen

diep, een dove plek onder de huid van mijn
gezicht zit, en mijn ribben opnieuw gekneusd,
nu met splinters die rondwandelen en leuk-
weg nog eens in mijn hart steken: zou je zijn

klaargekomen met minder geweld dan je
meedraagt, kracht die je gericht, en kort, gebruikt
en niet verspilt, ook al lijkt je lachten soms

snik ken, is het uitlokken ervan echt stom
of, zoals je later aan je vingers ruikt,
die blik, die hardheid, daarom houd ik van je.
(p. 46)