Aap noot Mies
Arjen Duinker begon in zijn studententijd met het publiceren van gedichten. Zo verscheen van 1982 tot 1986 het tijdschrift Aap noot Mies dat hij samen met de dichter K. Michel schreef, redigeerde en uitgaf. Er verschenen dertig afleveringen, stuk voor stuk met de hand geïllustreerd en in elkaar gezet. Enkele gedichten hieruit werden later opgenomen in de bundels van Michel en Duinker. Ze hadden een zekere filosofische inslag en een nuchtere observatie van de werkelijkheid gemeen die bij elkaar vervreemdend konden werken. De gedichten maakten veel gebruik van herhalingen en sensaties als geluiden en geuren kregen er een plaats in.
Er komt water uit de lucht
Er komt veel water uit de lucht
Het water ligt op de grond
Het water ligt te trillen
Vvvvoeoeoeoeoeoeh
Zo jaagt de wind
(Aap noot Mies, mei 1984, p. 4)
Rode oever
In 1988 verscheen bij zijn uitgever Meulenhoff in Amsterdam de debuutbundel van Arjen Duinker, Rode oever. In deze bundel geeft hij ruim baan aan de thematiek die later steeds weer terugkeerde in zijn bundels: de verwondering om dagelijkse dingen. Alles kon het object van die verbazing zijn: planten, dieren, mensen, gebeurtenissen. Het dagelijkse kreeg in de gedichten van Duinker door die verbazing een andere glans. In het eerste gedicht uit de bundel verbaast de ik-figuur zich over een klimopplant die tijdens zijn afwezigheid tegen een muur is gaan groeien - voor die verbazing gebruikt hij een ruime sortering hoofdletters:
KLIMOP!
ER GROEIT KLIMOP!
ik ben ver weg geweest
KLIMOP!
ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR!
OOOH! ZO GROEN!
(p. 7)
In de gedichten van Duinker zijn dagelijkse dingen geregistreerd, vastgelegd, zoals de wind die waait en een meisje dat een zakdoek opneemt:
De wind blaast langs mijn hoofd
De wind blaast langs mijn ogen
De wind blaast
Een meisje kijkt om zich heen
Ze pakt een handdoek
Draait zich om
(p.10)
In het gedicht dat begint met de versregel 'Op een zeer absolute dag' lijkt Duinker een statement te willen maken. Hij zet zich af tegen vorm en inhoud:
Op een zeer absolute dag,
absoluut van helderheid en kleuren,
absoluut ook van vrijheid, te zien
wat is, zonder meer,
zodat alles zichzelf is,
zal ik, blaffend, zeker ten strijde trekken.
Tegen de Inhoud.
Tegen de Persoonlijkheid.
Tegen de Essentie.
(p. 16)
Tegen die versimpelingen (inhoud, persoonlijkheid en essentie) plaatst hij een blauwe vogel, een bergwand, een nijlpaard en een kanon. Maar het is niet een eenvoudige verkettering van een theorie en een omhelzing van de werkelijkheid. In wezen is het een roep om fantasie en speelt Duinker met het wezen van objecten en dieren. Op die manier zijn stenen en vlinders - ondanks het grote verschil in gewicht - inwisselbaar. In Duinkers gedichten kunnen twee heel verschillende dingen aan elkaar gelijk zijn, ze zijn immers niet 'echt', maar van papier; ze bestaan alleen in het gedicht:
Ik wens met kracht drie stenen,
Het kan me niet schelen waarvoor,
Als het maar drie stenen zijn
En vlinders tegelijk.
Gisteren zag ik een essentie.
(p. 32)
En die essentie is kennelijk van groot belang. Duinker dicht vaak over dingen, over aanwezigheid, over zijn en niet-zijn:
Ik zie dingen die ik eerder heb gezien terwijl ze nieuw zijn.
Ik zie dingen die kalm zijn en ademen.
Ik zie dingen die ademen, terwijl de wind opsteekt
(p. 33)
In een ander gedicht worden de dingen en de logica overdacht:
Noem de dingen bij hun naam
Eet ze op!
Is morgen onmisbaar voor de logica?
(p. 23)
Zulke regels staan in veel gedichten, zoals:
Ik heb nooit iets begrepen.
(p. 20)
Het laatste gedicht uit de bundel heet 'Pasteis de Tentugal' en is een opsomming van gebeurtenissen, waargenomen in een aantal cafés in Coimbra en Figueira da Foz (Portugal) van 23 tot 27 december 1983. Die zijn beschreven in één of twee regels en genummerd van 1 tot 99:
29. Jongen komt binnen, geeuwend, boek onder de arm
30. Jongen komt binnen, tong tussen de lippen
31. Vrouw met rode trui en zwarte sjaal draait zich om
(p. 42)
Losse gedichten
Losse gedichten, Arjen Duinkers tweede bundel, verscheen in 1990. Ook in deze bundel speelt de liefde voor alledaagse dingen een rol. Wat ongrijpbaar is, moet juist concreet worden: van abstracties maakt hij een 'waaier van hout'.
Als jij me abstracties geeft,
Geef ik jou een waaier van hout.
Als jij me abstracties geeft,
Neem ik een takje tijm.
Als jij geheimen verklapt,
Rijd ik op een zwarte wagen.
Als jij geheimen verklapt,
Voel ik weemoed.
(p. 7)
De ik-figuur mijmert over het leven en besluit dat het voortdurend nadenken over 'de dingen' niet gelukkig maakt:
Als de olijven haast rijp zijn
Op de uitgestrekte vlakte buiten het dorp,
Als de olijven haast rijp zijn,
Ga ik er na zonsondergang op uit.
Ik denk na en zie weinig.
Soms denk ik extra na, bijzonder diep en met gevoel voor details,
Zoals alleen hij kan die extra nadenkt,
Om te beseffen aan de rand van het dorp
Dat mijn geluk niet in nadenken ligt.
(p. 15)
Het leven speelt zich af buiten het denkende brein en geluk is doorgaans elders. Onrust en het verlangen op een andere plaats te zijn spelen dan ook een rol van betekenis in de gedichten van Arjen Duinker:
Door euforie gedreven,
Door een of andere euforie gedreven ga ik van huis.
Zonder om te kijken
Verruil ik de besneeuwde toppen
Voor een vlakte, als de onrustige rivier
Aan wier oever de vissers dag na dag wachten.
Door euforie gedreven, slinger ik rond,
Slinger ik mij door een werkelijkheid
Waarin het miniemste nog enorm is.
Ik koester geen verwachtingen.
(p. 26)
De gevelreiniger en anderen
In De gevelreiniger en anderen (1994), de derde bundel van Duinker, staan net als in de andere bundels regelmatig opsommingen. Zo is er in het gedicht 'Papiertje' sprake van drie personages, die alledrie (n)iets betekenen:
De paarse vlinder is veelbetekenend.
De gepassioneerde bloem iets minder.
Het gras is zijn betekenis voorbijgegroeid.
Ik zit zonder.
In de laatste strofe kijken de drie personages en de ik-figuur (het vierde personage) een wegwaaiend papiertje na:
Vlinder, bloem, gras, ik,
We kijken het papiertje na
Met verschillende soorten van ontzag.
De avond wordt voelbaar.
(p. 18)
Het lange titelgedicht, 'De gevelreiniger', bevat schijnbare tegenstellingen, zoals 'onbegrepen met zijn begrippen'. Het gaat erin om de tegenstrijdigheid van het leven.
Alleen op zijn fiets
Gaat de reiniger van gevels,
Onbegrepen met zijn begrippen.
Hij waant zich helder,
Maar een onbestemde angst
Rijdt rond in zijn borst.
(p. 49)
Bijna aan het slot van het gedicht wordt gezegd:
Hij heeft verlies geleden,
Daden berouwd, aan zin getwijfeld,
Zijn leven op het spel gezet,
Met gruis versierd.
Er zullen andere gevels komen,
Nieuwe stellages, nieuwe steigers.
(p. 51)
In het gedicht 'Persconferentie' wordt een denkbeeldige persconferentie gehouden over de kakkerlak. De kakkerlak - het minst geliefde huisdier wellicht - wordt voorgesteld als een insect dat een woordvoerder nodig heeft. De kakkerlak wil niet te veel aandacht, maar wil zich kunnen 'ontplooien':
Hij wil met rust gelaten worden.
Hij accepteert een van ons als huisbaas
Op voorwaarde dat hij zich kan ontplooien.
Hij houdt zich aan de wet.
Het gedicht eindigt met een mengeling van terughoudendheid en tips:
Of hij een reïncarnatie is? Geen commentaar.
(p. 38)
- Lees verder over Duinkers werk: 2: 1994-1999: "Laat de verte maar komen in haar papieren kleed!"
- Terug naar Introductie