Arjen Duinker publiceerde vanaf 1988 een tiental bundels en ontving de Jan Campert-prijs voor De geschiedenis van een opsomming uit 2000.
Over het debuut van Duinker, Rode oever (1988), schreef Rogi Wieg in De volkskrant (2 september 1988): 'Ik wist na lezing van zijn bundel niet meer goed wat ik had gelezen. Ik wil wel benadrukken dat ik Rode oever een merkwaardig debuut vind. Duinker maakt op een heel zuivere en opwekkende manier gebruik van woorden. Zijn gedichten zijn persoonlijk, kleurrijk, maar helaas ook leeg'. Christiaan Visser schreef in Leids dagblad (25 mei 1988) dat hij een lang gedicht 'beslist mooi en intrigerend' vond en riep de dichter op: 'Ga zo door, Duinker'.
In De volkskrant (6 september 2002) schreef Piet Gerbrandy: 'Dit is pure retoriek in de goede zin van het woord. Zelfs het feit dat Duinker iedere regel met een hoofdletter begint - wat hij altijd doet - draagt bij aan het rituele karakter van zijn teksten. Duinkers veelkleurige, nieuwsgierige poezie bezit een aanstekelijke vrolijkheid'. 'Vrolijkheid bestaat ook zonder lidwoord', zegt hij. 'De rest is bijgeloof, bestemd voor dwazen,/ Zoals het praten over het belang van smaak/ Een kwestie van valse beschaving is'. Wie niet van deze gedichten kan houden, is dus een zuurpruim'.
Arjen Duinker heeft het vaak over 'de dingen', zo schreef Marc Reugebrink in Nieuwsblad van het Noorden (15 juni 1990) over de bundel Losse gedichten uit 1990: 'het lijkt erop dat Duinker zich in zijn tweede bundel steeds meer bewust is geworden van het probleem dat zijn verlangen naar een ongerepte staat de vereiste eenduidige relatie tussen woord en werkelijkheid met zich meebrengt. Het verlangen af te rekenen met de geschiedenis en zijn betekenissen leidt bij Duinker tot een afrekening met de poëzie'. Ook Hans Vandevoorde benadrukte in Knack (6 juni 1990) het belang van de dingen in Duinkers poëzie: 'Duinkers verzen zijn allemaal variaties op één thema: dat de dingen zijn wat ze zijn en dat de dichter daar gelukkig mee is'.
Over De gevelreiniger en anderen (1994) schreef Herman de Coninck in De Morgen (24 maart 1995): 'In zijn nieuwste dichtbundel viert Duinker, met knappe poëzie in plaats van met slogans, het feest van een aangename zinloosheid'. En Remco Eggers zette in de Leeuwarder courant (30 december 1994) de gedichten van Duinker af tegen die van Faverey: 'Arjen Duinker maakt het de lezer evenmin gemakkelijk, maar hij is een heel andere dichter dan Faverey. Ging het bij deze om stilstand of beweging, om worden en vergaan, Arjen Duinker wil de onbegrijpelijke werkelijkheid bezingen'.
Over Ook al is het niet zo (1998) oordeelde Paul Demets in Knack (28 april 1999): 'Weinig dichters in ons taalgebied schrijven op zo'n niet-sensationele, schitterende manier over sensaties die het alledaagse bestaan omringen als Arjen Duinker'. Daar sloot Jos Joosten zich in De Standaard van 18 maart 1999 bij aan: 'Overal blijkt zijn fascinatie met de poëzie van de wereld, of misschien beter gezegd: met de vreemde klanken, onbegrijpelijke woorden en exotische talen van de wereld. Duinkers mooie eigenzinnige poëzie daagt je, zonder intellectualistisch of academisch te zijn, voortdurend uit om na te denken'. In tegenstelling met deze positieve tonen, schreef Peter de Boer in Trouw (27 november 1998): 'Niet dat er nu opeens van deze poëzie niets meer deugt, maar Duinker heeft ontegenzeggelijk aan elan ingeboet'.
In De volkskrant (20 november 1998) schreef Piet Gerbrandy over Arjen Duinkers poëzie: 'Zijn woordkeus is helder en doeltreffend, zijn zinsbouw eenvoudig, zijn beelden zijn scherp. Opvallende muzikaliteit wordt vermeden. En toen hem eens gevraagd werd hoe hij bepaalde wanneer een gedicht af was, antwoordde hij: "Als ik besluit dat het af is. Dat het goed is. Maar het kan voor mijn part ook te maken hebben met ernstige zin om een partijtje te biljarten".'
- Terug naar Introductie