Soldatenliederen
Anna Enquist debuteerde op haar 46ste met de dichtbundel Soldatenliederen. Deze bestaat uit gedichten die voor een deel eerder in het literaire tijdschrift Maatstaf verschenen. Dit debuut werd door veel recensenten geroemd en het werd bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. Deze eerste bundel is opgedeeld in acht secties. Muziek vormt in haar werk een wezenlijk onderdeel; een ander veel voorkomend thema is het verzet tegen de voortschrijdende tijd. Het openingsgedicht uit het eerste deel 'Ouverture' laat dit duidelijk zien.
Als ik zou gaan liggen, die chtonische lokroep gehoorzaam,
dan zou ik gered zijn, verloren; was ik mij kwijt.
Zo leef ik in verplicht verzet, klem mij vast aan
de dingen, de pen en de appel, zo was ik mijn haar.
(p. 9)
Vaak komt in de gedichten ook een van haar kinderen voor, soms allebei, meestal in de vorm van herinneringen.
Aan
tafel gaat het over
wreed. Dat je een lied zingt
waar de ander van moet huilen,
en dat je dat wéét, zeggen zij
zwaaiend met hun lepels. Zeker.
(p. 12)
In een ander gedicht zit het strijkkwartet harmonisch in de kamer:
Ze zitten in de hoge kamer, harmonie,
als ruit, als geometrische figuur.
Maar dat blijkt schijn in de volgende strofe:
waarbinnen pijn en bloedbad rafelloos
hun plaats innemen. Mozart als chirurgijn
staat op en plaatst het mes. Snijdt
de perfecte lijn.
(p. 13)
Verderop in het gedicht blijkt dat de muziek weliswaar troost kan bieden, maar voornamelijk dient om de wanhoop het hoofd te bieden. Een centraal thema in de gedichten van Enquist. Bij een aantal van deze gedichten staat het muziekstuk in kwestie in een voetnoot onder het gedicht, zoals bij 'Strijkkwartet': '(Mozart, Strijkkwartet in C, KV 465)'.
In het tweede deel van de bundel, 'De kracht van water', staat water van grachten en rivieren centraal als symbool van leven, maar ook van het voorbijgaande. Ook praktische zaken komen aan bod, zoals welk water ongeschikt is voor badgasten.
Alleen de allerergste wanhoop is zo koud
als deze slotgracht; dit verdraagt
geen mens die niet bevroren is.
(p. 17)
De rivier roept daarnaast de gedachte aan zelfmoord op:
In slechte tijden zocht ik, perfide, halfhartig
het tegendeel: zo zou ik mij met borsten,
kut en al kunnen laten glijden in die kabbelende
zwarte moeder, gewiegd in giftige omarming troostrijk
omgebracht worden.
(p.19)
Het zwarte van de rivier kan ook andere associaties oproepen, met een weg bijvoorbeeld.
Het asfalt van de autoweg
is een rivier die wij bevaren
op weg naar huis, Utrecht voorbij.
Daarin realiseert de dichter zich ook hoe kostbaar het gezin is als ze onderweg in de auto ziet dat er door duikers gezocht wordt in het water. Blijkbaar naar overlevenden van een ongeluk.
Straks gaan wij huiswaarts, allen:
jongens, duikers en de warme
auto met mijn klein gezin.
- Zo gaat dat dus, zo krijg ik dit
te zien, de onbegrepen tekens. Zwijgend.
(p. 20)
Er is ook een opwindend rusteloos aspect aan het water en er is acceptatie:
Die op mij wacht, die aan mij
denkt heeft mij onrustig lief
als water, licht. Zeur niet.
(p. 21)
De herinnering speelt een grote rol in een ander deel van de bundel. Enquist betoogt dat het mogelijk is zich van herinneringen te ontdoen, maar dat dit grote moeite kost.
Wij genezen van de
herinnering. 's Nachts zoek ik
de woorden, beitel het verhaal
van wat voorbij is. Ik verlies.
Grimmig ontdoe ik mij van passie.
(p. 34)
Het lichaam vervalt en takelt af: dit gegeven wordt getoond door de vergelijking met een boek:
Nog, nog barst ik
door gebruinde handrug,
bloeiende schouder naar buiten.
Allengs raak ik gebrekkig
vertaald. Het brokkelt.
Door de vele 'r'-klanken in deze regels is ook aan de huig, in de taal, de verbrokkeling lichamelijk te voelen. En de afbraak gaat steeds verder.
In het lexicon vallen
gaten, bladzijden kreuken,
verwaaien. De rug breekt.
(p. 42)
In het gedicht 'ossificatie' (verbening, het hard worden van het kraakbeen) gaat het ouder worden en aftakelingsproces gepaard met verharding.
Hoe langer ik besta, hoe meer
ik mij verzamel in het bot.
Er blijft immers alleen het skelet over:
dat ik zal zijn, na kind, na vrouw
(p. 52).
Dan kan je beter iets anders verlangen, zoals Enquist zegt:
Je zou wel willen dat de dood een man was.
Helaas is dat niet het geval:
Maar tijd is: gaan. Maar dood is: stil gaan staan.
(p. 59)
Voor de dichteres hoort bij de dood muziek en een laatste lied. Geheel in stijl hiermee wordt de bundel afgesloten met zang en dans. Maar zonder vrolijkheid, er hangt een treurige sfeer. De ik-persoon vindt het moeilijk te aanvaarden dat de kinderen de deur uit zijn en de metafoor van de mist wordt gebruikt om aan te geven hoe lastig het is zich dan nog nuttig te voelen.
Altijd het eind van de middag. O, laat
de avond snel komen. De kinderen gingen
het huis uit; mist kruipt langs de grond.
Zo, zelf, ga ik stapvoets verloren.
(p. 63)
Zoals Gerard Reve zegt: het kan altijd erger.
Wanhoop zit wijdbeens aan de keukentafel.
(p. 65)
Door de allitererende w's wordt de situatie aangedikt. In het vervolg van het gedicht komen een werkster en de wind het doemdenken nog verstevigen. De lezer vraagt zich met Enquist af hoe dit goed moet komen.
Als de tocht niet meer voert naar de
plaats waar alles weer goed komt
wat houdt haar gaande?
Ze heeft een oplossing gevonden in het vasthouden aan de omgeving, de huizen, de straat. Bovendien geeft haar lichaam het niet zo maar op. Dat wil door.
De straatstenen houden haar gaande,
ogen likken de gevels, de keel
is gulzig naar lucht. Haar houdt
in gang het plezierpaard lijf dat
geen halt verstaat. Haar hakken
slaan vuur uit de tegels. Dat zij gaat
houdt haar gaande. Zij gaat.
(p. 68)
Jachtscenes
In de bundel Jachtscènes gaat het eveneens over gemis en verdriet. Enquist zei eens in een interview dat emoties in haar gedichten mogen bestaan. Dat blijkt.
Daarachter? Boze wolven die huilen
om wat verloren ging, hun kaken
scheurensbereid.
(p. 11)
Zo ook in het gedicht 'Zeigarnik-effect' (de aantekeningen achterin de bundel melden dat dit het in de sociale psychologie beschreven verschijnsel is dat onafgemaakte taken beter worden onthouden dan opdrachten die wel voltooid zijn).
Als razernij, verdriet zijn uitgewoed
neem ik het grootgeworden kind, het oude
lichaam, de verloren vriend en stop ze
in de rugzak van het leven, die ik draag.
en het gedicht eindigt met:
Die pijn houdt door de jaren heen schokkend
en rauw zijn versheid: wind die niet wil
gaan liggen, schip dat maar niet vergaat.
(p. 11)
De operatiekamer is een broedplaats voor onaangename herinneringen:
De beulsknecht die U scheert, die U
naar boven rijdt heeft schuld.
De verdoving voor de operatie:
Dan komt de tijdmeester met zijn ampul
vergetelheid.
Het moment van de operatie is niet meer terug te halen. De geopereerde is gered, maar iets is verloren gegaan:
En het verminkte lijf. Het uur van snijden
is voor altijd kwijt. De ingewijden,
die het horten van de tijd niet kennen,
leggen voorzichtig in het bed die vanaf
nu verdronken is omdat zij is gered.
(p. 17)
De tuinman komt in Enquist's bundels in verschillende gedaantes naar voren. Nu is het 'de verschrikkelijke tuinman' naar analogie met de verschrikkelijke sneeuwman. Hij snoeit de boom en verzorgt de wonden.
Zie hoe ze overleeft, hoe ze geamputeerd
haar richting kiest. Hoor toch hoe vreselijk
verdund ze schreeuwt uit te veel monden.
(p. 19)
De triestheid wordt doorbroken met een sprookjesachtige vertelling over een wijnprinses.
Van ellende de tent uitgedreven liep zij hoog
op de heuvels; de hete zon op de rivier was als
zilver.
Maar het loopt niet volgens de verwachting. De prinses mijmert als een overlevende over haar verloren verleden.
Zij dacht aan andere wijngaarden, in regen
en koude belopen met deze, dezelfde voeten;
leeggedronken flessen inventariseerde zij, en waar,
en met wie; ook de wijn die ongedronken
in het glas bleef staan herdacht zij, laveloos
destijds van zweet en zaad en lentetranen.
(p. 25)
Zoals vaak maakt Enquist ook hier gebruik van alliteraties, zoals 'waar', 'wie' en 'wijn', met 'laveloos' en 'lentetranen' en 'zweet' tegenover 'zaad'. In 'Vredige hellevaart in botshol' vinden we alliteraties op de letter 'v' in de strofe:
Wij glijden niet glorieus naar het ondergangs-
vuurwerk ten westen. Onraad klotst in het
botenhuis, verrukt verraad zonder bodem.
(p. 28)
Rond de opera 'Don Giovanni' van Mozart is een reeks gedichten gecomponeerd. Er was zoveel stof voor deze gedichten, dat Enquist de resten gebruikte als basis voor haar eerste roman, Het meesterstuk. Over Elvira:
Als een tijger in het harnas van haar woede
springt zij hoog over het land. Of stort zij
zich van voet op voet? Zij spoedt zich
Uiteindelijk wankelt ze:
Het waait; Giovanni zwijgt; Elvira wankelt.
(p. 33)
Over Donna Anna zegt de dichteres:
Al spreekt men er niet van, zij is de Moeder
die met veel misbaar de moord misbruikt.
(p. 34)
In 'Leporello aan de muziekmeester' spreekt Leporello over Don Giovanni:
Onder de tafel ben ik vloeibaar van zijn angst.
(p. 37)
In het laatste deel van de bundel, 'De jager, de prooi', staat een gedicht over de muziek van Bach en de dood.
Met de dood in de auto door Vlaanderen; narcissen
zwaaien in koude wind, voor het eerst, voor het laatst.
Tijdens die rit langs de Schelde wordt duidelijk dat God geen troost biedt, dat ze moeite moet doen om:
iedere voetstap te bevechten op de grauwe leegte.
(p. 41)
Steeds komt het ouder worden naar voren.
Vrouw die zo traag gekanteld is vanuit het beeld
waar zij te lezen lag in wind en gras voor veertig
jaar, tot zij hier rechtop voor mij staat en naar mij
kijkt en lacht. En vreselijke vragen in mij losmaakt
(p. 45)
Soms lijkt het plezierig te worden.
Zondagmiddag gezellig met alle herinneringen
in het natte bos gezeten, op de omgevallen beuk.
Maar dat heeft consequenties voor degene die het organiseert:
Geen een die zich het hoofd breekt over hoe ik die
bandeloze menagerie op orde moet houden, en voeden,
nu de winter voor de deur staat! Alles voor mij!
(p. 58)
Nog een uitstapje dat leuk lijkt:
We hebben het recht op doortocht gekocht
en betreden de trein. Het wordt avond, de wijn
is nog koel van thuis, het landschap ligt vriendelijk
vreemd te zijn.
Tot het sinistere vermoeden doorbreekt dat het allemaal niet zo veilig is:
Vol met bloed liggen wij op de plank. Als ik op-
schrik: de kinderen vijftien jaar kleiner, een muur
van bittere stank, de trein dendert oostwaarts
door zwart en verlaten land.
Gelukkig wordt het kwaad bezworen.
De dag komt van links, het is goed.
(p. 61)
Misschien kan het geen kwaad om zoals de titel van een ander gedicht zegt, te kiezen voor 'Een ander uitgangspunt'. In dat gedicht overdrijft Enquist met homerische vergelijkingen om het geheel paradoxaal juist lichter en verdraaglijk te maken:
Nu eens niet van de dood die ons nazit, zwavelig
in de nek ademt, met wie wij vechten tot wij verliezen;
maar bijvoorbeeld het leven als golf rollend op
volle zee, die krachtig de zeilers, de uitgeputte
vogels draagt. De diepste geheimen (matrozenbotten,
gedoofde lantarens) houdt hij eronder, dat moet.
In zo'n geval onstaat er ruimte om het over andere zaken te hebben. Uit de gespreksstof kan nog meer geschrapt worden, vooral wetenschap en onderzoek. Het gaat nu om de pure ervaring, de onbevangen waarneming.
Wij spraken niet over zonnestand, noch werd onderzocht:
gang van wolken in vochtige lucht, de rol van het zout.
(p. 69)
- Lees verder over Enquists werk: "De verzen waren zo woest"
- Terug naar Introductie