Een nieuw afscheid

De derde bundel van Anna Enquist Een nieuw afscheid verscheen in 1994. Afscheid nemen, de dood en herinneringen staan centraal. Het begint in het gedicht 'Eindexamen' met de dochter die vertrekt:

Alle vlaggen. Met een gehuurde
bus de dochter naar haar kamer
rijden. Wind. Geen klaagrecht


Er is de boosheid van een moeder om haar dochter die het ouderlijk nest verlaat om naar de stad te trekken:

rotmeid. Met bloedende vuisten
op het plaveisel hiertegen zijn.

(Het ingelijste kind met zich-
zelf het huis in zien gaan).

(p. 9)

Er is ook de zoon, die verdwijnt uit het moederlijk zicht:

Ik ben de jongen en het meisje kwijt.

Hun plaats lijkt nu in de herinneringen te liggen:

                      Til uit het grote
zwart dit beeld: zij pakt
hem bij de hand, ze hollen over weilanden en dijken.

(p. 15)

Moeders hebben het zwaar, muzikanten hebben het moeilijk (deze sectie van de bundel heet 'Grootspraak'):

Hij is op zoek naar een podium waar hij niet doorheen
zakt, waar geen koude wind opsteekt als hij opkomt

Soms overheerst de woede en wellicht de onmacht en heeft de muzikant een wens:

om krachtig met de laars het houten hart te kraken,
snel de stok te knakken in het verend middelpunt


maar de muziek overwint alles, zelfs het slagveld dat Enquist hierboven schetst.

                         strijkend boven het slagveld
kan hij even tijdloos heersen over eindigheid.

(p. 20)

Het einde is bijna sereen. In een ander gedicht over reizen, komt het militaire thema uit de eerste twee bundels weer aan bod, evenals het ziekenhuis, en dat in lange, vierlettergrepige woorden:

Ik voer bevel over dit hospitaal,
het wemelt van adersnijders,
kussenschudders, piswegdragers.

(p. 23)

En zelfs op 'Hawaii' waar Cook aankomt 'bij het strand van verlangen' is de onrust aanwezig, kan de thuiskomst niet worden gevierd.

                         Deze drieslag: verbazing,
eeuwig moment van totaal verzet, verzinken.

(p. 24)

Het leger en het water komen regelmatig voor in de gedichten van Enquist. In 'Onomkeerbare afbraak van het afweersysteem, tweezijdig' is er een combinatie van die twee en het liegt er niet om. Het gaat over het 'stille leger', 'eremetaal' en 'soldij', entering door 'wrede piraten' en vergiftigen. Daarbij worden alle sappen ingezet: 'bloed, zaad, spuug en pis'. Dan wordt er nog gekeeld en gekielhaald op de 'bark' tot het knarst. Er onstaat een 'bedorven beeld' met 'grond in je mond' en:

                         Radeloos van weerzinwekkende
triomf en scheurend mededogen worden wij nooit
meer als toen. Gespierde, desperate ratten.

(p. 28)

Het gedicht 'Herfstlied' komt hierna als een verademing:

Wanneer de herfst komt de opluchting. Men is tot in de grond
vermoeid en leeggegeten, heeft te weids en onverhoeds gebloeid.

(p. 29)

Een langer gedicht in vijf delen geeft de poëtica van Enquist weer:

Het past om een schip, getuigd met zwarte
zeilen, de haven uit te sturen. Om drie-
stemmig, luid en snerpend, te weeklagen.


Maar ze wil zich helemaal niet aanpassen aan wat gebruikelijk is.

Mij past niets. Ternauwernood laat lucht
zich vormen tot adem, lichaam zich dragen.

(p. 30)

Het valt haar te zwaar om iets passend te laten zijn.

Kleren worden gesleurd door water, kokend
water; met ijzer geschroeid en geplet. In hitte
raken sporen uitgewist, geuren verstrooid.

De kleding die ze aan heeft, blijft ze dragen tot de zijde scheurt:

Want men heeft bij verdriet graag zachte stoffen
in de handen, die nooit worden weggegooid.

(p. 32)

Als er actie wordt verlangd, gebruikt Enquist weer enthousiast alliteratie (de 'r' klank):

Trap nu die boot de zee op, het weer
in de zeilen, de touwen in rafels;
ga de matrozen brullend wegjagen


Het slot van het gedicht maakt opvallend genoeg gebruik van eindrijm: 'windvlagen' en 'dragen'. Dat komt niet vaak voor in Enquist's gedichten.

smijt angsthaas Asklepios rottende
kip in zijn schoot. Windvlagen
voeden vuur tot bliksemend rood.

Mij voedt niets. Ternauwernood laat lucht
zich zuigen tot adem, leegte zich dragen.

(p. 34)

Enquist schreef ook voor het voetbaltijdschrift Hard Gras en haar interesse voor voetbal resulteert ook in gedichten, zoals 'Laatste zomer met de kinderen':

In de verloskamer juichen ze bij het omge-
keerde doelpunt van de geboorte. Niemand
voorziet de wraak van de keeper die hoog
op de witte tafel ligt, met lege handen.

(p. 40)

Nog een herinnering aan haar zoon in 'Winterdag':

Mijn zoon was zeven jaar; zijn schaatsen
waren veel te groot.

(p. 42)

Soms tikt ze zichzelf op de vingers:

Men kan niet blijven zeuren. De pruimen
ploffen rottend van de bomen, in de koude
tuin worden de kleuren snel ouder.
(p. 45)

De leegte kan niet het hele leven beheersen, er moet gewerkt worden, jam gemaakt. De vruchten uit de tuin gehaald. Al is dat dan af en toe bitter.

Neem van de mist een mantel
die goed past; de tuin sluit
als een tent. Eet nu met mij
deze laatste amandelen want
wij vieren een bitter bestand.

(p. 50)

Enquist is duidelijk geen fan van de maandagen.

Maandag is theater voor mensen
boven vijf jaar, toegang gratis


eindigend in jeugdherinneringen:

Lippen en liederen waren voor
later; achter de scherpe schort
is maandag een wond in de week.

(p. 53)

Anderen denken dat een dichter gelukkig zou moeten zijn.

Men vraagt haar naar de stand
van de geluksmeter. Waar die hangt.


Daarop geeft ze een antwoord dat niet bevredigend is voor haarzelf. Want het centrale thema blijft vergankelijkheid, de dood. Ook al begrijpt de ondervrager dat niet.

Of aan jezelf: dit zijn mijn enige
benen, hierop gaat het naar de
eindstreep, waarachter geen eeuwig
clubhuis. Vrager en bevraagde
spreken hun talen; zij roepen in
mijn enige hoofd en verstaan niets.

(p. 62)

Klaarlichte dag

De vierde bundel Klaarlichte dag uit 1996 ontleent zijn titel aan de schilderijenreeks van Co Westerik. De bundel gaat over reizen, herinneringen en poëzie. De eerste afdeling bevat een gedicht over het onbezorgd buitenleven, waar toch reden voor zorg bestaat:

Dieren en dingen dragen eenvoudige
jongensnamen. Boven ons hangt
de zilveren maan, de valbijl.

(p. 10)

Dan worden zonnige vakantietaferelen geschetst.

Wij plaatsten de tenten op de berg.

Waar ook iets aan schort:

Hete lucht kliefde de lippen. Strijdwagens
op de hellling dreven ons hun slijpsel
in de mond. Het was vacantie. Dagen
en nachten hebben wij op vuur gewacht.

(p. 11)

Over de liefde staat in het gedicht 'Achter de dijk':

ik geef je dit meer vandaag. Ander water
eet van de kleiwal, spreekt met de wind
in een andere tijd, ginder, achter de dijk.

(p. 16)

Er is opvallend veel assonantie, klinkerrijm, in de bovenstaande strofe. De gecombineerde a- en aa-klank in 'vandaag' en 'ander water', de ee-klank in 'geef', 'meer', 'eet' en 'spreekt', de a-klank in 'van', 'wal', 'andere' en 'achter', de i-klank in 'wind', 'in' en 'ginder', de ij-klank in 'tijd' en 'dijk'. In een ander gedicht 'kraakt' het 'woest':

De verzen waren zo woest uit de bodem
getrokken dat zij nog lang na-kraakten.


Maar zo belangrijk zijn die gedichten en woorden niet, overheersend belangrijk is de dochter, die door het schrijven dichterbij komt.

Er was een kind. Met haar danste ik
door de kamer, wij galoppeerden van hoek
naar hoek, wij zongen luidkeels een lied.

Zij had een warm gezicht. Zij was mijn dochter.
Als ik adem vonkt zij na in het gedicht.

(p. 22)

Haar huidige leven stemt niet tevreden. Er is verbazing over het al te rappe tempo waarop het leven wordt afgedraaid:.

Tijd heeft mij op de tuinbank neergezet,
een soplap in mijn hand gelegd. Toen
ik niet keek werd bloesem fruit

(p. 23)

Ze heeft zich niet gerealiseerd dat de kinderen haar zo snel zouden verlaten en verlangt terug naar de tijd van het gezin. En vooral naar de dochter.

Niet waar ze met lange
elastieken draden aan je vast
zit, dat je opvliegt als zij
twintig kilometer verder van
haar fiets valt.

(p. 25)

Ze is niet te beschermen als ze op eigen vleugels is.

Hoe kan ik het uitleggen. Zo'n kind
kan het niet helpen: zestig kilo
geworden, in de stad gaan wonen.

(p. 28)

Herinnering aan de jongenstijd van haar zoon.

Het bot kraakte en brak. Er stond wind
over het veld, tegen elf jongens blies
de bries van zondag, hijgden zware mannen.


Als de dokter wordt ingeschakeld, bevestigt hij het vermoeden van de ouders:

Onder de naakte lampen weten wij:
het kraakte; zegt de dokter; ja, het brak.
(p. 29)

Muziek gaat ook in je handen zitten. Het is aan je handen te zien dat je piano speelt:

Hij zegt ik kan het aan je handen
zien. (Wat ik deed. De vlekken
van ivoor, de beet van bes-klein.)

(p. 34)

In 'Het kind uit vijfenveertig' blijkt welk gedachtengoed kinderen vlak na de oorlog meekregen van hun ouders, de plicht tot vrijheid:

Mijn vader had twee levens. Eén
kort en vlammend, zonder mij. En één
daarna. Mijn vrijheid was een plicht.


En om blij te zijn met eten, leven:

Als ik aan tafel zat stond er een horde
hol van honger in mijn rug. Ik at.


En

Mijn vader had twee levens: één
sloeg zijn brandmerk in het ander
en het ander joeg een schaduw over mij.


Ik ging aan land, ik voel de wind
en in die schaduw ben ik vrij.

(p. 37)

Een erg winters gedicht is 'Straks'.

Er steekt winter in hemelse
vouwen van wind.


In de laatste regels wordt deze sfeer te niet gedaan

Er is geen wind. Er zijn geen
plekken. Geheugen doofde
toen de kachels uitgingen.

(p. 39)

Toch keert het geheugen terug: in muziek. De herinneringen zijn bij Enquist meestal zware kost: herinneringen van dingen die beter vergeten kunnen worden.

De omgekeerde sonate is een tocht
op rotschoenen door een vreemd
land met vertrouwde maten

Omkijken is valskijken; de zwaarste
reis is altijd de terugreis.

(p. 41)

De kinderen en de dood blijven belangrijke ingrediënten in deze bundel.

Ineens was ik het vermogen
om warmte vast te houden
verloren. Nu de kinderen
het huis uit zijn, snoof ik,
ja ja.


en het wordt steeds triester:

Wat ook zo was. De dood
en ik stonden op een dijk.
Tussen ons was niets dan
een aanzienlijke afstand.

(p. 47)

De dood laat haar niet los:

De lieve doden zitten in een tijdloze
kamer met de deuren dicht. Er gaan
dagen voorbij dat ik niet aan hen denk.


In de droom kan ze er een betere vorm voor vinden, die geruststelt:

Het verlangen wordt in de droom
opgerold. Ik dek je toe met de deken
van een nieuwe dag als ik opsta.

(p. 50)

De alledaagse dingen irriteren haar:

Met de mensen in de supermarkt
op vrijdag geen mededogen, geen
genade voor de producten, de lamme
karren, geen pardon voor de kassa.


Er is genade en respijt voor een uitzonderlijk gezelschap van zaken, dieren en mensen:

                                             Aalscholvers,

Belgische voetpaden, bibliotheken
en ik.

(p. 54)

In een aantal gedichten over het schrijven blijkt dat in de taal geen verlossing is te vinden:

Geestdriftig ben ik op het slijmerig
vlot geklommen waar ik vanaf glijd
als de handen het klauwen beu zijn
en jij mij laat, taal.

(p. 55)

Ze wil heel graag, maar kan niet ontsnappen zonder gewond te raken.

Sta op, grijp de tralies,
haal de diepste adem en
scheur je hart uiteen.

(p. 58)

Het is een vermoeiend gevecht voor de reiziger.

Een schoorvoetende reiziger
van het bed naar de tafel
die mijn zware armen steunt.


en

Wie zullen ze zoenen in het donker,

wie zal hen zien. Reislustig
zijn ze de woorden, ze verdringen
zich voor de uitgang.

(p. 59)

We weten inmiddels dat ze door het Nederlandse publiek gretig worden gelezen: de woorden in de bundels van Anna Enquist.