De tweede helft

De titel van de bundel De tweede helft (2000) slaat op de tweede helft van het leven van de dichter: het eerste was afgesloten met de verzamelbundel uit hetzelfde jaar. Het najagen speelt wederom een belangrijke rol.

Haas ik wil je niet jagen, ik wil
je onbedekt huis met je delen, ik
wil lezen wat je schreef op de akker.

Ik wil je grijsgouden vacht voelen
maar bedrog en vernieling persen
zich tussen hand en haas, telkens.
(p. 9)

Evenals het afscheid nemen, het omgaan met de dood. Enquist zei eens in een interview: 'Ik voel me wel eens de Nel Benschop van de intellectuelen'. Een dichter van de emotie:

De dood, zegt men, heeft genomen.
Ik zat op de grond met een dode
maar niemand kwam om te nemen.
(p. 12)

De dood komt onverwacht als een overval op straat. Wellicht refereert Enquist hier aan de dood van Herman De Coninck, die, op weg naar een optreden in Lissabon (Portugal), op straat onwel werd en in haar armen stierf.

Een overval trof mij op straat. Schielijk
liet ik een lichaam liggen op een oude krant,
mijn armen vouwden zich om een gezicht.

(p. 13)

Het lijkt of ze zichzelf onmogelijke opgaven stelt.

Kon ik de stad innemen, mij stellen
in de stenen cirkel op de markt, drinken


de bloedige schaduw van het stadhuis -
Laat naar je kijken. Ik bonk op de muren

(p. 14)

Er wordt in deze bundel in steden vertoefd en door straten geslenterd.

Door Wenen liepen we drie dagen
de koortsige muzikant achterna.


Maar de illusie van algehele aanbidding van Mozart (de bezoekers likken het stof uit de vloernaden) wordt ruw verstoord door de andere toeristen.

Japanse vrouwen lieten het Lacrimosa
uit koptelefoons knetteren, Spanjaarden
floten de Figaro, schoolkinderen renden
rond de vitrines.

(p. 15)

Dat culturen verschillen blijkt over de cyclus over haar zoon in Stockholm. Ze vertelt hoe de studenten een klein kwartier per dag uit het raam schreeuwen.

Dan vallen gaten in het grijs
en zwelt de schreeuw als een orkaan
uit duizend witte monden

(p. 21)

Maar ook de dochter claimt het schreeuwrecht.

Recht op de schreeuw, de laatste
boot, de smaak van brood?

Kijk: in de avond vloeit tijd
als een vlies over de dingen.
Ons recht. Ons raakt het niet.

(p. 24)

Moeders van zonen zijn collectief ongelukkig in 'Geef terug!'

De moeders, ach, moeders. Ze staan
te roken op het balkon, ze dreigen
met een voetbalshirt in kindermaat.
Ze schelden op de engel van de dageraad,
en huizen staan te vlammen in hun rug.

(p. 25)

Over excursies valt veel veel te zeggen. Vooral van een eiland met benige richel, heuvels met rozige toppen. Het wordt steeds avontuurlijker.

Een steilte. De volle vulkaan,
vlezige krocht achter kiezenwand.


Vervolgens de verstilling:

dit is de hoofdkaap. Nu turen.
Mateloos water, geen schepen geen
wind onder hemel van glas.

(p. 31)

Dit is een van de gedichten van Enquist met een tamelijk rustig einde. Veel gedichten vangen kalmpjes aan, maar na drie of vier regels beginnen de regels te kolken en lopen de emoties hoog op. Heftigheid troef. En uiteindelijk besluit het gedicht met gesomber of pijn. Hier is voor een verstild vredig eind gekozen.

Een voorbeeld van een letterlijk 'donkerder' einde, maar niet somber:

Thuis valt nacht als een ansichtkaart
door het venster, groet uit het zwarte.

(p. 32)

Een tandartsbezoek leidt tot vreemde gewaarwordingen.

Zo valt vlees dood tussen aanwijzen
en gewaarworden. Rennende kinderen
in het brein staan reukloos stil;

stokstijf stollen denken en lijf, ogen
willen zich verwijden maar geen zenuw
die zich nog aan zenden waagt.

(p. 41)

Het gedicht 'In het bos' lijkt een vriendelijk bosbessengedicht:

Bosbessen blozen een welkom
met verdikte stelen. Beuken
wachten met hun lichtste groen.


Maar opnieuw is de vredigheid slechts schijn, de bittere pil is nooit ver weg bij Enquist.

Het rook hier als de wereld,
nu smaakt het bitter in je oude
mond. Zon rijt het bos open


Zo vriendelijk is de zon niet, de lichtstralen rijten het bos open en wijzen op het graf:


licht wijst naar de grond.

(p. 44)

Lachen is uitzonderlijk bij Enquist, maar in de cyclus 'Tuin, water, tuin' gebeurt het.

paddestoelen liggen als schuim
op het gras. Ik lach erom.

IJzig vocht kruipt in de kamers.

(p. 50)

Het is geen vrolijke lach over wat de natuur voortbrengt. Ook de rivier heeft zo zijn geheime bloederige leven.

bloed in een ader, zo klemt
de rivier zich aan koude vast.

Knisperend schurken de schollen
tegen elkaar, de wondranden

groeien ineen. Het sluit zich.

(p. 52)

Misschien wordt het in 'Een nieuw jaar' beter; zo heet tenminste een driedelig lang gedicht, bijna aan het slot van de bundel.

In de reiskist vouwt zij de avondjurk
(p. 54)

Hier wordt een prettig plan gemaakt denkt de argeloze lezer, totdat

Dit is hier, denk je, dit is nu.
Het dorre onkruid, de dode bereklauw
langs het asfalt. Begerig naar plaats

lees je de hemel als landkaart.

(p. 55)

Kortom, Enquist is niet optimistisch over heden, verleden of toekomst.

Van ons rest een voetstap in aarde,
een kus op een kinderwang. Wij moeten
lippen laten bevriezen, ogen ontsteken.


En toch wil ze zich niet laten kennen, niet toegeven aan de behoefte tot schreeuwen. Ze probeert op de been te blijven.


Hoe voorzichtig wij zijn. Hoe wij oppassen
ook dit jaar weer niet om te vallen, niet
te gaan liggen, niet schreeuwen, nog niet.

(p. 56)

In het gedicht 'Smaak' is ze kritisch over haar dichtactiviteiten. Ze dicht zoals ze dicht ondanks zichzelf, lijkt ze te zeggen.

Het gedicht van mij vreet zich vol
met rotzooi. Niet doen, zeg ik,
niet die bittere prak, dat droevig
rantsoen verzwelgen. Maar het vers
barst uit de krappe ceintuur
van de regels en smijt zich
tegen de bladzij, onder mijn blik.
(p. 57)

De tussentijd

In 2004 verscheen De tussentijd van Anna Enquist. Deze bundel was als geheel een reactie op het ongeluk van haar dochter, die op de Dam in Amsterdam werd geschept door een vrachtwagen zonder dodehoek-spiegel en overleed. De bundel is dan ook opgedragen 'In memoriam mijn dochter Margit (1974-2001)'. Er zijn zes afdelingen: 'Verloop van tijd', 'Op reis', 'Berichten', 'Intussen', 'Muziek, muziek' en 'Maak haar een plaats'.

Verbaasd merkte de moeder
dat zij een menigte werd.

De moeder van het gestorven kind voelt zich opgesplitst in verschillende moeders: de 'weerloos-blije' met mooie herinneringen, 'de verslagene' die het liefst dood wilde, 'de trieste', die het niet kon bevatten, de 'furie', die woedend was op iedereen en de 'wanhoopsmoeder', die zichzelf verwaarloosde.


Hoe hen te hoeden, te zorgen dat elk
de voeten in dezelfde richting sleept?

Ons is iets overkomen, kan ze zeggen,
wij zijn de menigte die moeder heet.

En zij die in de verte aan het water
staat, en wenkt, is een van ons.
(p. 11)

Dat de wereld intussen niet veranderde, schokte haar:


De trom roffelt dof in de oren;
het gemis is een toestand, er ging
niets verloren. Alles voltrekt zich
volgens afspraak: een raadsel.
(p. 12)

En geen dooddoener verandert iets aan dat gemis:


Koket geweld van woorden. Over
zinloosheid is het zwaar zingen. Wij
zullen blijven en zwijgen maar
zij zal niet.
(p. 13)

Zinnen worden in deze bundel niet voltooid als een leven dat niet ten volle geleefd kon worden:


Voorover tegen de volmaakte muur,
of achteruit in de suizende leegte.
(p. 12)

Wat ze niet ervaart is 'een zwart gat' dat in de moeders achterblijft wier dochter gestorven is:


Radeloos lopen ze rond, de moeders.
Ik niet; stil als steen bewaak ik
de felgele glimlach, de blauwe
kus, roze woorden uit haar mond.
(p. 15)

Maar het is alsof de dochter ook de moeder koestert danwel achtervolgt:


Zij stormde naar de volgende vallei,
naar de nieuwste hoek van de zee.

Onopgemerkt, zwijgend, holde
het kind met haar mee.
(p. 19)

Maar ze holt mee in de vorm van het gemis:


Hoe zij mij bitter en volstrekt ontbreekt.
(p. 22)

Missen is een werkwoord, rouwen dus hard werken:


ja ik weet ze is weg
maar wellicht wacht ze
toch overal op mij dus

ik zoek en ik kijk en ik
slaap niet maar blijf
buitengewoon waakzaam
(p. 24)

Het gedicht 'Voorjaarsbrief' is geschreven voor Gerrit Kouwenaar, die zijn vrouw verloren had:


het schrijnt waar zij weggescheurd werden,

de onzen, we staan nog te trillen; veel
vocht verloren, pijn onder de kleren.

(p. 31)

Schrijvers hebben zo hun favoriete, soms modieuze onderwerpen:


Wij schrijven zo graag over hersens,
wij dichters. We klemmen het brein
in de handen; woorden druppen op tafel.

Maar ook al schermt de dichter met wetenschappelijke termen als 'ventrikels' en 'synapsspeleten', en al ziet de lezer tevreden dat de dichter 'beheerst verdriet' toont over de teloorgang van al dat moois:


we zouden de woorden wegvegen,
voor altijd zwijgen, als we konden.
(p. 38)

Sommige gedichten in deze bundel zijn cynisch van toon, zoals 'Over het begraven van dochters'. Het moet warm zijn, er moet gezongen worden alsof er feest is:


Daarna gaan wij vastberaden de poort uit,
een wereld in vol krentenbollen, laarzen

en letters. In ons begint een eeuwige
draailier te zoemen: zij zijn er geweest.
(p. 39)

Over de 'Essentie van het missen' zegt Enquist:


Ik mis de linkshandige, schitterend
spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis
haar tot brakens toe dagelijks.
(p. 41)

En wat men daarover zegt is 'Geleerde onzin, schandalige troost' en de essentie doet er niet: het gaat om het missen van 'het vlees, haar linkshandige lichaam'. En naar dat lichaam wordt gezocht, zowel binnen als op straathoeken. Ze weet dat haar eigen vermaningen niet helpen:


Geef op. Laat gaan.
(p. 43)

Maar ze blijft aanwezig, in dagdromen, in herinneringen, in nachtelijke bezoekingen:


Het geheugen niet overvragen.
Blijf op afstand. Laat de blik bijten
in de bolling van haar bovenarm.

Bidden wij dan het geheugen
bij ons te blijven. Het is wat wij
hebben. Zonder haar zijn wij niet.
(p. 58)

Het is alsof er vivisectie wordt gepleegd op het eigen lichaam, een anti-geboorte:


Het is een groots werk, het neemt
al onze uren, het losmaken
van de dochter uit ons
.
(p. 60)