De Sint-Nikolaasavond
In één van zijn bekendste gedichten ‘De Sint-Nikolaasavond’ rekende De Genestet af met de schijnheiligheid van de jaarlijkse lintjesregen onder koning Willem II (regeerde van 1840 tot 1849). Aan een koninklijke onderscheiding ontleenden veel ‘deftige’ mensen hun status. De humorisische vertelling was erg populair onder het publiek van De Génestet. Datzelfde gedicht gebruikte hij om dichter Hiëronymus van Alphen op de hak te nemen. Een lezing verduidelijkte De Génestet’s kritiek op de dichter van kinderpoëzie en gaf bovendien zijn poëticale opvattingen weer.
Deftig
Ik wil niet veinzen voor mijn drie–en–twintigst jaar. –
Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen
En wordt niet graag door schijn, hoe deftig ook, bedrogen?
(Génestet, 1930, p. 83)
Ieder jaar reikte Willem II op zijn verjaardag de koninklijke onderscheidingen uit en hij deed dit rijkelijk. Zijn verjaardag op 6 december viel samen met het Sinterklaasfeest. De Génestet twijfelde aan de verdiensten van de ontvangers van de lintjes. Ook vond hij dat er overvloedig werd uitgedeeld. Niet alleen De Génestet bespotte het te pas en te onpas uitdelen van de onderscheidingen. Ook in andere literatuur uit die tijd kunnen we kritiek lezen op het ‘dekoreren’, zoals bijvoorbeeld van J.C. van Kesteren in 1844:
want waarlijk men is er van verbaasd, wanneer men dat aantal ridders ziet waarvan ons landje wemelt. Men komt als van zelve tot dit besluit: of wij zijn bijzonder gezegend met uitstekende menschen: of de ridderorde die de borst van zoo velen versiert, getuigt van diensten, niet van verdiensten.
(Bosch, 1931, p. 3)
De nietszeggendheid van de onderscheiding, een ‘ridderstar’, stipte De Génestet ook al aan in drie verzen van het gedicht ‘Spreekwoordjes’.
Maar geen kist vol ridderstarren
Maakt van vijf-en-twintig narren
Ooit één knap, verstandig man.
(Génestet, 1930, p. 61)
Voordracht
De Sint-Nikolaasavond is gedateerd in 1849 en was als voordracht geschreven. Volgens Kalff waren dit gedicht en het lange gedicht 'Fantasio' favoriet onder toehoorders (Kalff, 1912, p. 562). De Génestet’s mooie stem en knappe voorkomen droegen bij aan het succes. Door de populariteit was De Génestet zelf ook te spreken over de gedichten, met name over 'De Sint-Nikolaasavond'. Busken Huet bevestigde dit: 'Met geen zijner eigen werken is De Génestet eerst zoo ingenomen, daarna zoo verlegen, en doorgaans zoo vervuld geweest als met zijn Sint-Nikolaasavond' (Busken Huet, 1912, p. 72).
De Génestet leidde 'De Sint-Nikolaasavond' in met de aankondiging van de scherts van zijn verhaal. Hij wilde met zijn satire niemand kwaad doen en vrolijkheid brengen. ''k Ben zorgloos en tevreên, mijn lied moet vrolijk zijn: Brengt peper aan en zout, o Muzen! geen venijn' (couplet III). In deze wens weerklinkt ook Tollens' rijmpje:
Wie van zoetje liedjes houdt,
Ik verkies ze liever zout!
(Busken Huet, 1940, p. 157)
De Génestet schuwde kritiek niet, maar deze had nooit een kwade ondertoon.
Kritiek op Van Alphen
De Génestet spotte niet alleen met Ridders in zijn gedicht 'De Sint-Nikolaasavond'. In couplet LXVII haalde hij uit naar de kinderdichter Hieronymus van Alphen. In zijn kritiek op Van Alphen vinden we zijn poëticale opvattingen terug. In 1857 verduidelijkte hij het bewuste couplet in een lezing. In 1858 verscheen deze 'Voorlezing' in het tijdschrift Nederland. In 1865 werd Over kinderpoëzy uitgegeven door de Gebroeders Kraay in Amsterdam.
De Génestet opende zijn kritiek op Van Alphen door zijn gedichten als vroom en ouderwets te bestempelen. De Génestet had moderne opvattingen en pleitte voor iets anders dan eenzijdig dogmatisch-religieuze kinderliteratuur. Dit betekende overigens niet dat de kinderliteratuur in zijn ogen niet religieus hoefde te zijn. Hij vermoedde dat kinderen zich niet konden inleven in de Brave Hendrik-beschrijvingen die Van Alphen aanbood. Kinderen moesten in de literatuur zo realistisch en menselijk mogelijk worden weergegeven, in begrijpelijke en natuurlijke taal. In zijn lezing zei hij hierover onder andere het volgende:
Maar vele kinderen van mijn kennis en ik vinden die gedichtjens in ’t algemeen te wijs en te pedant voor ons en de zedelijke heldjens van die gedichtjens min of meer onuitstaanbaar!
(Génestet, 1865, p. 14)
Van Alpen was zeker een goed en edel dichter, maar sporen van oorspronkelijkheid, vernuft, genialiteit zult ge zeldzaam bij hem vinden. […] Wat ontbreekt? Het naïeve, het natuurlijke, het ware.
(Genestet, 1865, p. 33-34)
Anders dan de meeste domineedichters uit zijn tijd vond De Génestet, dat poëzie voor kinderen niet stichtelijk en belerend hoefde te zijn. Hij was van mening dat onderwijs afbreuk deed aan de natuurlijkheid van de mens. Hij had geen hoge pet op van het onderwijs, blijkt uit het gedicht 'Waar en hoe'. Twee strofen hieruit:
Niet in de scholen, neen, heb ik gevonden,
En van geleerden, och, weinig geleerd;
Wat ons de wijzen als waarheid verkonden,
Straks komt een wijzer, die ’t wegredeneert.
't Leven alleen is de school van het leven,
Levens–ervaring het heilige boek,
God! door Uw wijzenden vinger geschreven,
Daar ik niet vruchtloos de waarheid in zoek.
(Génestet, 1930, p. 273)
Kinderen moesten daarom vooral spelen. Naïviteit was onderdeel van hun leven en mocht niet ontbreken in hun poëzie. Spelen was nadrukkelijk geen leren. De Génestet vond dat Van Alphen zich niet kon inleven in de kinderwereld, bovendien was hij veel te deftig. In zijn laatste bundel Leekedichtjens (1860) zien we deze ‘levensbeschouwing’ samengevat in het gedicht 'Vroomheid':
Ik kan het met ùw vroomheid
Niet vinden op den duur:
Zij kijkt me véél te deftig,
Zij kijkt mij véél te zuur!
Gij, die in alle dingen
Slechts zonde vindt en schuld ....
Van leelijke gedachten
Is vast uw ziel vervuld.
(Génestet, 1930, p. 279)
In de kritiek op Van Alphen bleek De Génestet zeer ruimdenkend. Hij pleitte voor de ontwikkeling van de fantasie om de geest voor te bereiden op religieuze gevoelens. Hij verwierp hoogdravend taalgebruik in kinderboeken. Natuur en Waarheid waren volgens hem ook voor dit genre een vereiste (Van Brave Hendrik, 1990, p. 290-292).