Tering-tering!

In De Génestets tijd veranderde de visie op het geloof. De Génestet deed voortijdig afstand van zijn predikantenambt. In de negentiende eeuw was tuberculose één van de voornaamste doodsoorzaken in Nederland. Toen De Genestets vrouw hieraan stierf, besloot hij zijn ambt neer te leggen. Hij wilde zijn aandacht op het gezin richten. Hij wist immers wat het betekende een moeder te verliezen. Niemand keek hier van op, want het gezin wàs de hoeksteen van de samenleving. De negentiende eeuw spreekt in De Génestets poëzie en in zijn nagelaten brieven. De waardering voor het gezin lezen we bijvoorbeeld in 'Jong Hollandsch binnenhuisje'. In 'Het haantjen van den toren' vinden we het verdriet van een teringlijdster.

Een warm nest
In de jaren van zijn huwelijk beleefde De Génestet zijn gelukkigste tijden. Met zijn vrouw vestigde hij zich in Delft en daar stichtten zij hun gezin. Het duurde even voordat hij gewend was in zijn nieuwe huis in Delft, daar hij nogal verknocht was aan Bloemendaal (Zie de gedichten: 'De liefste plek', 'Morgen bij de duinen', 'Het oude huis' in: Laatste der eerste, 1861). In 'Het oude huis' uitte hij zijn heimwee in verzen als: ''k Voel me in dit mooie huis – niet thuis; Dees wanden spreken niet' en eindigde hij het gedicht dramatisch met: 'Verhuizen is ons lot'. Met deze gedichten sloot P.A. de Génestet aan bij een internationale aandacht voor het thema huiselijkheid. In Duitsland was dat populair gedurende de Biedermeiertijd en in Engeland bepaalde Victoriaanse opvattingen een deel van de dichtkunst, zoals Coventry Patmore's The angel in the House (1853) en The Espousals (1856).

Met de warmte van zijn jonge gezin werd zijn verlangen naar de duinen van Bloemendaal echter langzaam minder. In 'Jong Hollandsch binnenhuisje' dichtte hij over zijn nieuwe huiselijk geluk. Tussen zes en zeven uur ’s avonds genoot hij van een uurtje voor zich zelf bij het haardvuur.

't Leven is mij lief en waard
In dat hartlijk uurtje,
Levenslustig in den haard
Knapt het knettrend vuurtje;
Bij der vlammen heldren gloed,
Schept men fantazietjes,
Neuriet, stillekens en zoet,
Ras vergeten liedjes;
Allervriendlijkst begeleid
Door het lief geluidje,
't Liedje der gezelligheid,
Uit het stoomend tuitje.
(Génestet, 1930, p. 155)

Dit huiselijk genoegen was inspirerend voor De Génestet. Hij vond schoonheid in de kleine dingen van het leven. Poëzie zou dit meer moeten uitdragen, vond hij. Vele dichters richtten zich op het verhevene en gingen daarmee voorbij aan de vreugde van alledag. Terwijl juist dat zo bevredigend kon zijn, want:

Poëzij schuilt overal,
Overal mijn vrinden!
't Is de vraag maar wie haar al,
Wie ze niet kan vinden.
Menig schilder heeft geen oog
Voor een binnenhuisje,
'k Weet poëten duf en droog,
In hun smaakloos kluisje,
Menig boezem blaakt alleen
Voor het hoogverheven –
Mij trekt alles, groot en kleen
In dit lieve leven!
(Génestet, 1930, p. 155)

Tuberculose verstoorde deze onbezorgdheid. Er was nog geen medicijn voor t.b.c. op de markt, de doktoren wisten nog niet dat de ziekte door besmetting werd overgebracht. Voor een kans op overleving schreven zij rust en gezonde buitenlucht voor.

Idee-fixe
Toen Robert Koch in 1882 de tuberkelbacil ontdekte waren er tallozen overleden aan tuberculose of tering. In de negentiende eeuw was het de orde van de dag. De Génestet verloor zijn moeder en zijn vrouw aan de ziekte. Onzeker is of de tering ook zijn eigen doodsoorzaak is geweest. De besmettelijke longziekte trof wel voornamelijk jonge mensen. Omdat de Génestet al jong zijn moeder had begraven, vreesde hij ook zelf een vroege dood te zullen sterven. In één van zijn brieven aan Adriaan Gildemeester (12 januari 1847) sprak hij deze angst uit:

Tering-tering!-die vreselijke ziekte heeft mij lieve moeder ook weggerukt- en die ideeën zijn genoeg om mij, in de eenzaamheid, in den nacht- dikwijls in tranen te doen losbarsten- ach! Ik kan zo diep rampzalig zijn.
(Génestet, 1987, [p. 40])

In diezelfde brief aan Adriaan Gildemeester benadrukte hij ook die eenzaamheid van een wees. Hij kondigde in deze brief tevens zijn eigen dood aan. Een vroege dood betekende voor hem een vereniging met zijn moeder. Bovendien zou hij als jonggestorven dichter meer faam verwerven. De ziekte van zijn moeder had bij de Génestet een obsessie over zijn eigen gezondheid aangewakkerd. Hij noemde het zelfs zijn 'idee-fixe'.

Adriaan, voelt gij (ja ge voelt het) wat het zegt, voor eene aandoenlijke, dichterlijke ziel- geene moederlijke ziel te bezitten, om daarin geheel zich uit te storten- voelt gij 't- verbeeldt gij het U- o proef er nimmer de bittere werkelijkheid van. Ik ben pas zeventien jaren; ik heb een hart om een moeder te kunnen beminnen--- ligt zou die zaligheid op aarde, voor mij te groot geweest zijn!—De gedachte, haar weder te zien kan mij alleen troosten, als ik bedenk, dat ook ik licht jong sterven zal. Gij weet of ge weet het niet dat dit immer een idee fixe van mij is, - jong sterven! –o dat ik dan sterven mocht, als de 18 jarige dichter Gilbert, die eenige uren voor zijn dood, dien heerlijken zwanenzang gezongen heeft- j'ai relevé mon coeur au Dieu l’innocence! Etc. dat moet een zalig sterfbed zijn geweest – een dichter waardig. – jong sterven! Toch het zou verschrikkelijk zijn, Adriaan
(Génestet, 1987, p. [40-41])

Liefde
De Génestet stierf op 31-jarige leeftijd, maar hij heeft daarvóór nog zijn vrouw begraven. Over het ziekteproces van zijn vrouw schreef hij het volgende in een brief aan Tiele (15 okt 1859):

De gure dagen die wij gehad hebben waren voor mijn zieke niet gunstig. Schoon zij steeds het bed houdt, de scherpe N. en O wind dringt overal door. Nu onmerkbaar, dan weer merkbaar wordt dat lief en liefelijk wezen gesloopt van dag tot dag..voor de oogen onzer liefde. Ik ben zielsbedroefd
(Génestet, 1976, p. 160)

In het vaak geciteerde en gebloemleesde gedicht 'Liefde' gaf hij weer hoezeer hij gedurende haar ziekbed van haar gehouden had.


Neen! – die ik 't meest heb liefgehad,
Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde,
Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,
Toen 'k weenend aan haar sponde zat.
(Génestet, 1930, p. 188)

Het was niet de eerste keer dat hij het sterfproces van een zieke meemaakte. Want niet alleen zijn moeder en zijn vrouw, ook de vrouw van één van zijn vrienden Daniël de Clerq, stierf aan t.b.c.. Zij heette Gezina Goudswaard en stierf al in 1856. De Génestet schreef over haar een lang gedicht 'Het haantjen van den toren'. Lees over dit beroemde gedicht.