Watersnood-poëten: Dichters des Vaderlands?
De Génestet onderscheidde zich van zijn collega-domineedichters door het gebruik van humor en ironie. hoewel hij nooit venijning werd, uitte De Génestet in zijn gedichten ook kritiek. Veel van zijn tijdgenoten waren veel braver en moralistischer. Zij schreven ook regelmatig liefdadigheidspoëzie. In zijn laatste gedicht 'Aan de watersnood-poëten' (1869) dreef De Génestet de spot met de vaderlandslievende dichters, die voor het goede doel poëzie schreven.
Aller deugden tolk
In het gedicht 'Volksdichter' uit 1850 deed De Génestet een oproep voor een Dichter des Vaderlands:
Reeds is de melodie de zielen ingevloten ….
Geef stemmen aan de stof, en woorden aan de noten,
Wees de echo van 't weleer en aller deugden tolk!
(Génestet, 1930, p. 78)
Een taak van zo'n volksdichter was het bieden van troost na een ramp. Want naast de huiselijkheid en burgelijkheid in de negentiende eeuw floreerde ook de liefdadigheid. Het maatschappelijke belang was groot. Bij een nationale ramp werd er veelal een gelegenheidsvers geschreven om geld in te zamelen. Zo'n gedicht werd dan voor het goede doel uitgegeven en verkocht. Inzamelingsacties werden snel op touw gezet. In 1855 bijvoorbeeld overstroomde het rivierengebied van Maas en Waal en verschenen er maar liefst 68 uitgaven om de slachtoffers te steunen! (Mathijsen, 2002, p. 225) Ook bij andere vormen van liefdadigheid werden er dichters ingeschakeld. Alle comités en commissies die er waren hadden wel een schrijver in dienst. Zo nam De Génestet deel in een commissie voor de oprichting van een standbeeld voor Vondel.
Rampendichters
Marita Mathijsen noemt Tollens in de eerste helft van de negentiende eeuw 'de nationale rampendichter' (Mathijsen, 2002, p. 224). Hij was één van de eersten die met een gedicht geld inzamelde voor de armen: 'Wij gaan met schaal en bussen rond' ('Bedelbrief' uit 1845, uitgegeven in 1848). Als hij bij een actie een gedicht schreef, stroomde het geld binnen. Zo kon er vrijwel direct hulp geboden worden. Maar ook de andere domineedichters bedreven het genre ijverig: Beets, Ten Kate, Hasebroek, Van Koetsveld en Ter Haar bijvoorbeeld. De liefdadigheidspoëzie beoogde een verbetering van de maatschappij. Uitgevers en boekhandelaren ondersteunden deze initiatieven dan ook gretig, omdat zij graag met liefdadigheid geassocieerd wilden worden.
In januari 1861 brak in de Bommerlerwaard een dijk door. Het gebied werd zwaar getroffen door de overstroming. Zelfs koning Willem III bracht een bezoek aan het overstroomde gebied. Ook bij deze ramp werden vele inzamelingsacties gehouden. (Van Heuven-Van Nes, 1994). De Génestets bijdrage 'Aan de Watersnood-poëten' is gedateerd op 15 januari 1861, net na de ramp. In de ondertitel vermeldde hij 'uitgegeven ten voordeele der Overstroomden en in het belang der kunst'. Het gedicht verscheen in het tijdschrift Nederland waarin hij al eerder zijn kritische voordracht 'Over kinderpoëzij' publiceerde. Het honorarium voor het gedicht maakte zijn uitgever over aan de hoofdcommisie van de watersnood. Overdrukjes van het gedicht (gepubliceerd onder het pseudoniem De geest van Braga) werden ook voor het goede doel verkocht, zo blijkt uit een brief van De Génestet aan zijn vriend Gideon de Clercq op 11 februari:
Gisteren zond ik U eenige overdrukjens van een vaers in Nederland. Verkoop die zoo ge kunt, aan de vrienden à 25. cts en geef het geld als een aalmoes aan de Noodlijdenden. Goede Hemel! Wat is die Watersnood akelig – en ook wat is die Watersnood vervelend! Wat een land, wat een land daar we in leven, of liever wat een water! Ô Bommlerwaard o Tielerwaart 'd Woû dat je naar de blixem waart! (Génestet, 1976, p. 215)
Een ploerten boêl
In de vorm van zijn watersnoodgedicht uitte hij kritiek op andere liefdadigheidsdichters. Hij noemde hun gedichten afkeurend 'waterpoëzij'. De Génestet betreurde in 'Aan de watersnoodpoëten' de kwaliteit van de gedichten én de houding van de dichter, die de lat niet te hoog legde, omdat er in dienst van het goede doel gedicht werd. Een liefdadigheidsgedicht moest vaak met spoed geschreven worden, wat ten koste ging van originaliteit. Ook om plagiaat maakte niemand zich druk. De Génestet vond de watersnood een vreselijke ramp voor de kunst. In dezelfde brief aan Gideon veroordeelde hij de rijmelaars:
En dan al die rijmende Weldadigen in ’t Handelsblad, etc! De Barmhartigheid roemt tegen het oordeel – maar voor al dat gerijmel verdienden die Quibussen het gericht! O Gideon! Wat is het menschdom toch een ploerten boêl – als je dat leest en ziet!
(Génestet, 1876, p. 215)
Enkele strofen uit het gedicht:
Op, 't is nu tijd van zingen,
Heel akelig – dat spreekt!
Laat allen handenwringen,
Terwijl u 't harte breekt.
En wil 't niet spoedig lukken,
Dan laat ge, hier en daar,
Maar zoo wat streepjes drukken
– – – – – – – – – – – – – -
– – – – – – – – – – – – –
Dat staat verschriklijk naar!
Met Watersnoodsgedichten,
Bewaard uit vroeger tijd,
Kunt ge ook u ’t werk verlichten,
(Kunstliefde spaart geen vlijt!)
En om 't verwijt te ontloopen
Van imitatie – hoor:
Waar schapen eens verzopen,
Schrijf daar nu koeien voor!
(Génestet, 1930, p. 388)
Medelijden
Als het aan De Génestet had gelegen, was er niet veel geld in het laatje gekomen. De opbrengst van zo'n gedicht kon de rampendichter ook geenszins toeschrijven aan de schoonheid van zijn poëzie: 'dat zeuren uit den treuren', maar was te danken aan het kunstloze medelijden van haar lezers.
Neen, wat ook moog' gebeuren
Door al die Rijmlarij,
Dat zeuren uit den treuren,
Wie wondren werkt – niet Gij –
Maar Neêrland! dat aan 't blaken
Van kunstloos medelij,
Zelfs voedend brood kan maken
Van Waterpoëzij!
(Génestet, 1930, p. 390)
Onze eerste èchte Dichter des Vaderlands Komrij deelde, 140 jaar later, De Génestets opvattingen over de slechte kwaliteit van de watersnoodpoëzie destijds in Trou moet blijcken, of opnieuw In liefde bloeyende. Hij noemt de gemakzucht van de dichter (en van zijn lezer) een eigenschap van slechte poëzie. Dit is van alle tijden, want 'zodra zich populair leed aandient – lokaal leed, wereldleed – springt de dichter op de wagon om zich te zonnen in de gunst van een tijdelijk in z'n kritisch vermogen verlamd publiek' (Komrij, 2001, p. 101-102).