Het schotje

In zijn studententijd schreef de Génestet 'Het schotje' (1850). Dit gedicht verwierf destijds enige faam in Amsterdam.

Tijdens de Synode van Dordrecht in 1619 werden de volgelingen van Arminius, de Arminianen, uit de 'gereformeerde' kerk gestoten. Naar aanleiding van hun verweerschrift ‘Remonstrantie’ werden zij aangeduid als Remonstranten. Meer dan driehonderd jaar later was deze scheiding nog zichtbaar in de vorm van een schotje, een houten muurtje in de professorenbank van de grote hoorzaal van de universiteit waaraan De Génestet studeerde. Het schotje diende om de Lutherse, Doopsgezinde en Remonstrantse theologen van de overige professoren te scheiden. Dit vond De Génestet een volstrekt ouderwets idee. De gereformeerden hadden bovendien veel meer ruimte ter beschikking. In 1849 was al eens een professor van ''t kleine hokje' uit protest over het schotje gesprongen. Een jaar later maakte De Génestet zíjn protest in de vorm van een gedicht. Bij het gedicht had De Génestet enkele aantekeningen gemaakt, waarin hij de situatie als volgt beschreef:

Welnu : aan de ééne zijde van dat schotje prijkte in gloria het gereformeerde Athenaeum, in de personen van zijn professoren natuurlijk; aan de andere zijde, werden de Seminaria, door vijf professoren vertegenwoordigd, op elkander gedrongen, in het zevende of vierde gedeelte (ik heb geen mathematischen blik) van de geheele bank.
(Génestet, 1930, p. 400)

Ter illustratie twee strofen van de 48, die het gedicht telt:

Dat Schotje, dat de bank verdeelt
Potsierlijk in twee hokken....
Zou 't eene voor de schapen zijn,
En 't ander voor de bokken?
(Génestet, 1930, p. 70)

Den Lutheraan, den Remonstrant,
Bij zulk een feestgenotje,
Die schuift en dringt men op elkaêr,
Als uitschot – achter ’t Schotje!
(Génestet, 1930, p. 72)

De Génestet boekte succes met zijn kritiek, want nadat De Génestet ‘Het schotje’ in de Amsterdamsche studenten-almanak voor het jaar 1850 publiceerde, lieten de Curatoren het verwijderen.