Weloverwogen

De debuutbundel van Piet Gerbrandy verscheen in 1996 bij zijn uitgever Meulenhoff: Weloverwogen en onopgemerkt. Hij bestond uit gedichten die grotendeels in tijdschriften en andere publicaties verschenen, zoals Hollands maandblad en De Poëziekrant. Deze poëzie werd in 1997 onderscheiden met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs. De indeling is in drie rubrieken, die volgens de tekst op het achteromslag overeenkomen met drie stemmingen en houdingen: waanzin en walging, vervolgens deernis en schoonheidsgevoel en tenslotte volharding en verlossing.

Het motto van deze debuutbundel is ontleend aan de roman van de Ierse auteur Samuel Beckett, The Unnamable (1958): 'you must go on, I can't go on, I'll go on'. De titel van de bundel is een regel uit één van de laatste gedichten; dat gedicht gaat over het sterven en spreekt de hoop uit dat dit niet veroorzaakt wordt door een griepje:

Geen griepje, nee liever steriele
slangen door de neus, haperende
symbolen op een schermpje, op de walkman,

die doorschreeuwt als ik niet meer hoor,
My Favorite Things. Zo wil ik dat het gaat:
weloverwogen en onopgemerkt.

Anonymus, particulier verzekerd.

(p. [67])

De bundel begint met een gedicht over schrijven, lezen en taal:

Ik doe, belaagd door ongevraagde
feiten die ik zelf bedenk,
veel dingen die mij overkomen.
Nacht zit mij als gegoten.


En de witte pagina waarop zijn gedichten staan vergelijkt hij met een staalplaat:

Wel bevindt zich tussen u
en mij een withete stalen plaat
waarop wij spugen voor gezelligheid.


Halverwege het gedicht heeft hij al zijn afkeer van beelden uitgesproken, het gaat bij Gerbrandy meer om de klank van gedichten dan om de beeldspraak:

Elke ster (maar beelden
herken ik niet) is mooi
weer meegenomen.

(p. 10)

De dichter is niet een doorsnee vriendelijke persoonlijkheid, maar een kritische geest die wel vaart bij oppositie:



Goedgehumeurd lulkoek vertrappend
honderd willen worden


De ouderdom als een toestand van geluk, voornamelijk omdat 'niets meer hoefde' en alles is toegestaan:



incontinent aanmaningen verscheurend
(p. 12)

De onderwerpen in zijn gedichten liggen dicht bij huis, zoals in een gedicht over burengerucht:



Men woont in rot beton en hoest
en wie niet horen wil zal nooit meer horen.


Negeren van geluid door er 'doorzon blues' tegenover te stellen:



Want klopboor wacht tot buurman
wiens puistenzoon de moeder
pijpt schuimbekkend al zijn schrootjes
maalt tot moes

(p. 13)

Het taalgebruik is kortaangebonden, compact; er worden geen clichés gebruikt om het geheel wat smeuïger en soepeler te maken. Lidwoorden ontbreken vaak, het ritme is strak. Ingesnoerde verzen, noemt de uitgever dit:



Wie opgaf duwt wie
spartelt in moeras,

wekt indruk als was heer
aan onbesproken woord
in taal van mensen

(p. 16)

De medeburgers in dit universum zijn:



mongolen en geblutste nimfen
(p. 17)

en anders zijn het wel 'feeksen' in een onaangename omgeving, waar seks een aanstellerig en dierlijk gedoe is:



Op het behang schrijft zich
een kalme draak van walg

(p. 18)

Een wereld waarin een logeerpartij doordesemd is van naar aarde riekende lakens in kamers met een:

afgedankt dressoir met ingebonden
jaren van Het Beste

(p. 22)

Een wereld die ruim baan geeft aan eenzaamheid en angsten:



Maar ledigheid baart liefde
te verhelpen met de hand.

En angst gaat heus weer over
als men sterft.

(p. 23)

Gerbrandy gebruikt vaak infrequente woorden, zoals 'smijdige' en 'reeuwse' (p. 20), 'fulpen' (p. 24), 'meuke' (p. 25), 'dim' (p. 26) en 'verspocht' (p. 35). De woorden brengen de lezer in een sfeer van het plattelandse. Over de spreker zelf:



Doorwrocht is wat hij zegt.
(p. 25)

maar de spreker is ook een vleeseter



met spierpijn wangen
(p. 25)

die niet wil denken aan abces of leverkwalen:



Dat wat schaamteloos wil brallen
zich tot grammaticaal gesprek
hoont zonder krimpen, net
niet stokkend in zijn bijna stikken.

Droom van een slapen zonder droom,
klank zonder woord, volmaakt
ontstentenis.
(p. 26)

De eerste afdeling wordt onbeschroomd afgesloten met wijsheden:

Waar het de dood betreft of eenzaamheid
is angst niet adequaat. Men vreest
met meer succes als er nog hoop.

Wie nadenkt is niet bang
maar radeloos.

Wijs noem ik hem die bang is
gek te worden.

(p. 27)

In de tweede afdeling wordt tegenover het plattelandsleven het kantoorleven geplaatst:

                                             kwijt hij

zich als functionaris uitziend
op kantoortuin en pensioen

(p. 31)

Het dagelijks leven, het opvoeden van en spelen met zijn kinderen, het maken van sneeuwpoppen zijn onderwerpen die in de tweede afdeling in gedichten een plaats krijgen. Er zijn dichtgetimmerde feestgebouwen, gedekte ooien, een buizerd, alles in de bekende telegramstijl:

In coniferen lampjes
van plezier. De goegemeente
dorst in café De Woord

naar spraakloos heil.

(p. 37)

Andere onderwerpen zijn een chemokar en het houden van vogels, dat op het hebben van lezers lijkt:



De fictie van contact
wordt beleefd en met succes
in stand gehouden

(p. 39)

De vorm van de gedichten wisselt, de strofen zijn meestal kort en regelmatig keert een bijna vierkant gedicht van 4 of 5 strofen van 2 regels terug. De tweede afdeling besluit eveneens met wijsheden in een gedicht van slechts 3 regels:



Waar verlangen sterft heet dood geluk,
wordt god, terstond herinnering, geboren.

Genieten is niet zijn, vergeten is de kunst.

(p. 47)

De derde afdeling toont de werkelijkheid in al zijn ochtendlijke ontluistering:



Waarin de morgen haar lederen tong
in nog naar genever en slechte sigaren
staande bekken wurmt en wee berokkent.

(p. 51)

Een thema dat ook in de latere bundels opduikt is dat van de fietser, die bussen 'minacht' en auto's haat. Hier breekt de krenk en rollen de moeren op straat, waarna:



                                Stug hinkt
hij steppend voort naar Grol.

(p. 54)

Grol is natuurlijk Groenlo, waar Gerbrandy als docent werkzaam is. Hij fietst ook door hagelbuien en soms de nacht tegemoet, 'zonder doel' en 'onverstoorbaar'. De wereld binnenshuis is nog steeds niet fraaier en ook andere lichamen kunnen aanleiding zijn voor wanhoop:



Haar op zolder, tenen in de kelder.
Roestvrije tepels, porseleinen
buik. Veel chromen poten. Maar
navel, weke snavel, open mond.

(p. 63)

Hoe lang hij ook fietst, hij komt toch steeds bij hetzelfde aan:



Dat schoonheid straks verveelt, elk boek
uit, lach vergaat. Ging deze vrouw
niet over, hield ooit maar iets

niet op. Verlang een morgenloos,
een koel aandachtig slapen.

(p. 66).