Nors
De tweede bundel van Piet Gerbrandy verscheen in 1999: Nors en zonder haten. De titel is ontleend aan een regel uit een van de laatste gedichten over het uitgaansleven, met dichtslaande autoportieren en hakkende house-muziek, scheld- en steekpartijen.
Wildplassers aan de torenvoet
een oorlog in de hand en enkels
diep verschoten kruit.
De baliekluiver fluimt zijn brakke
pruim ten prooi en vergewist
zich nors en zonder haten.
(p. 53)
De bundel bestaat uit zes afdelingen van elk negen titelloze gedichten: 'Muzen', 'Huizingen', 'Ontbindingen', 'Bedscènes', 'Idyllen' en 'Afrondingen'. De wijsgerige aforismen die in de vorige bundel de afdelingen afsloten, lijken hier te zijn vervangen door raadsels:
Mijn liefste is mijn enige mevrouw.
Er zijn veel dieren die ik niet wil kennen.
Van dingen noem ik slechts wat zingen kan.
De snaar. Het riet. En wat reutelt.
en dat zijn niet alleen aardige puzzels, het zijn ook zinsbegoochelingen:
Het sneeuwt wel maar ik doe of het bloedt.
(p. 10)
De werkelijkheid is er niet alleen om toe te tasten, ook al zijn dijen, haring en genever er om van te genieten:
Maar wat met maanlicht in een plas,
met vleermuis die om torren tsjirpt,
de toon van Prez en ergste glimpen
zon? Maar wat met het ontzettende,
dat altoos altoos elders?
(p. 11)
Misschien dat Gerbrandy om dit soort passages een 'volbloed romanticus' wordt genoemd. Erotiek en seks zijn in elk geval romantische thema's:
Wij zitten, lul ter hand, op rug
van wijzen danig om ons heen
te denken.
Zo vinden wij de boomgrens
goed geregeld en waarderen
wij ontbreking van de dood.
Dat er een vrouw bestaat
met rondingen van zachtst
graniet, geen koude hoeken
van een zeer kristal, geen
snijdend erts, maar magma
zonder weerga, zint.
(p. 16)
Het aardse en vrouwelijke verbonden aan elkaar is natuurlijk niet alleen een romantisch, maar ook een klassieke topos. De vergankelijkheid heeft bij Gerbrandy zowel een desolate als een resolute houding tot gevolg.
Van bloedspier zijn de kamertjes
verhuurd aan kale venten
Gaat het hier om een huis, een lichaam, een huisjesmelker?
Zijn muren kust gedierte, de melker
fluit om centen, brandend
maagzuur in zijn hoed.
(p. 23)
Er zijn zoveel bedreigingen en rampen voorradig, dat de vergankelijkheid zelf geen wezenlijke reden voor wanhoop meer is:
IJskap kabbelt af.
Onder aan de keldertrap brak
water stijgt, pad klampt wat vast
aan flessen zich lengende wijnen
uit jaren van stand.
Doorslag knalt van stoppen, fakkel taant.
Kameraden joelen, haar verzengt.
Maar ga eraan en zeur niet. Wees een heer
(p. 27)
Het is - al met al - een leven waarin het sterven als een feest is en een feest als een moord wordt 'begaan':
Ik zal een feest begaan dat mij bevalt.
(p. 28)
De korte, eigenaardige woorden die Gerbrandy gebruikte in zijn eerste bundel krijgen hier verse aanvoer:
heul
ijzing
knersing
deist
kunnen alleen al uit één gedicht (p. 24) worden geplukt. Sommige van die woorden klinken nors, andere woorden zijn ronduit denigrerend:
De pruikjes van de wijven zijn weer nep.
Met valse doekjes deppen zij
hun baarden, krop der duiven rijst
gebeeldhouwd op uit ruisende corsetten,
hun wolvenbont opzichtig over
leden gedrapeerd. Zij kwaken boven
thee en roepen dingen, uitgezakt.
Het zijn de dames van het rouwbeklag:
hoe vredig lustten zij de dode rauw.
(p. 36)
De vergankelijkheid heeft soms meer iets van het adagium dat alles stroomt, bijvoorbeeld in het gedicht waarin het hout van een bed wordt gebruikt voor een kast:
Uit planken van aartsvaderlijke
sponden schept uw timmerman
wel schrijn voor heel uw pracht
aan ingebonden delen.
in de wetenschap dat:
zijn onbeschaafde zoon
het zinderend hout verzagen
(p. 37)
zal en daarmee is dat hout verzaagd en de bijbehorende generatie versaagd. Gerbrandy legt op zijn woordspelingen (rouw/rauw en verzaagd/versaagd) geen nadruk, toch zijn ze meteen helder. De afdelingstitel 'Bedscènes' is eigenlijk ook zo'n woordspeling, die de lezer op het verkeerde been zet, want het gaat hier niet om bedlust, maar om bedlegerigheid.
Hoe behaaglijk de pijn na de val!
Hoe gedempt het geluid van sirenen!
Hoe warmbloedig het dekbed van sneeuw!
Hoe gezellig het schijnsel van koplamp
en straatlantaarn in de nevel!
(p. 41)
De klank van de gedichten van Gerbrandy wordt deels bepaald door herhalende patronen, zoals 'hurkt' naast 'humorloze', 'zwart' naast 'af' naast 'achter' en 'morren' tegenover 'beslommering' in de regels:
Op nachtkast hurkt onzegbaar
humorloze ergte. Dag schopt minzaam
grauwend om zich heen.
Haakt zwart af, achter ogen rekt
zich loom het morren van beslommering.
We moeten voort, we zullen niet versagen.
Op. Aan de einder gloort weer ondergang.
(p. 44)
Het onderwerp van de gedichten is niet altijd meteen duidelijk: soms lijkt het eerst over dichters, dan over kinderen te gaan, of misschien toch over...?
Nog baardloos hurken de dichters
in de bak, hun bolle wangen vol
zandtaart die hun kiezen knerpen doet.
(p. 51)
Het leven van ouders, boeren, rockers in de buurt wordt samengevat:
Ter vliering neuken boeren hier
hun geesteszieke nichten
en de rockers zwijgen grimmig,
in binnensmondse talen
(p. 52)
De ouderdom wordt geacht genoegens met zich mee te brengen:
Werd een roede
door plooien van pens overhuifd,
(p. 57)
dan is er toch het genoegen van dure wijnen en oude kazen, maar op den duur smaken die niet meer:
Smakeloos vielen de kaken,
verdroogden de hammen,
stonk hoop.
Vrienden werden mensen
die nooit meer kwamen. Vreugde bleek
een woord van zeven letters
(p. 62)
En zelfmoord in het bos is altijd een optie, in elk geval een onderwerp van overpeinzingen:
Zoekt niet het hout naar weerwoord
dat hangen kan blijven en zijn?
Tast niet mijn koorts naar een koord
in luwte van machtige bossen?
Tuimelt niet kloek en krankzinnig
het boek uit zijn bast van de pijn?
Wandel maar. Handel nog af.
(p. 65)
- Lees verder over Gerbrandy's werk: Niet bitter
- Terug naar Introductie