Niet bitter

De derde bundel van Piet Gebrandy heette De zwijgende man is niet bitter en verscheen in 2001. Hij werd bekroond met de Herman Gorter-prijs en beleefde in 2003 een tweede druk. De bundel is strak gecomponeerd: er zijn vier afdelingen met elk 13 gedichten, het geheel voorafgegaan en afgesloten met een afdeling van één langer gedicht. De afdelingen hebben als titels: 'Delvend', 'Glorend', 'Winnend', 'Naaiend', 'Wikkend' en 'Zwijgend'. De tweede afdeling begint met vragen die niet worden beantwoord:

Moet je terug? Kun je niet blijven of gaan?

en aan het slot:

                                         Kun je niet

hier nu er is? Of ga je naar waar er nog moet?

(p. 12)

Onafgemaakte zinnen, ongrammaticale constructies en onbeantwoorde vragen staan voor een dichtkunst waarin hartstocht, woede en verlangen ruim baan krijgen. Toch lijkt de dichter met weinig tevreden, erotiek, kroost, werklust, eten en een fiets volstaan, zij het niet zonder dubbelzinnigheid.

Zo veel heb ik nodig dat ik leef.

Glimp van billen op arduinen trap,
wit goed in mand, half lege
mok op aanrecht, gerucht

van adem bij nacht. Ongeduldige stap
van bijna groot kind in de morgen,
pen die nog zin verzamelt.

Melk, kaas klevend aan mes,
vlam, rib van een lam, bovengistend
fluisterend bier, leren jas

en herenfiets om te gaan.
(p. 15)

Studentenlol staat er tegenover doelloosheid in een gedicht over een puber:

Hij leeft. Hij vermoedt dat hij leeft.
Hij wendt zich van veel dingen af die zijn.

(p. 17)

Gedichten over het ouderschap bevatten regels over bezorgdheid, zeker als de kinderen zich in het uitgaansleven storten, zoals:



Sluip je bed uit, speur naar een teken

en:



Haal adem. Haal adem, laat gaan.
(p. 23)

Het beeld van de vrouw en vooral de vrouwelijke borst is ook in deze bundel aanwezig:



O benen van zwak vlees, o tierig
dons, o steels omgorde weelde.

Twee zijn halve luchtloos verkleefde
bollen, een is het zijnde, nul

is navel die wat was omgeeft.

(p. 18)

Erotiek is er, seks is er ook in expliciete bewoording, zo:



ligt een kut in het gras die ik streel
(p. 20)

Het landschap waarin de kut ligt, wordt net zo exact aangeduid. Er zijn ploegende ossen, woekerend maaiveld, water, eenden, uilen, wilgen en 'bloedende meidoorn', meeuwen, een winterdijk, maar de natuur krijgt hier voor het eerst ook een dubbelzinnige betekenis:



Paardebloempluis in mijn liezen.
Ereprijs in haar keel.

(p. 20)

Toch zijn er ook beantwoorde vragen, maar eigenlijk zijn de antwoorden nieuwe raadsels:



Met wie brak onze held bevroren melk?
Met wie de tuinman opjoeg om haar scherpte.


en:



Met wie betrad hij bouwval van geheugen?
Met wie haar borsten waste in de zee.

(p. 22)

In andere vragen komen de ongewenste of onrustbarende acties ter sprake van parkieten, 'hippe zoekers', barbaren, schorem, toeristen en de eekhoorn (p. 28). Soms wordt het leven als een boek beschouwd:



het register van de namen van de sprekers
het register van ter zake doende zaken
de lijst van boeken over ware dingen
de lijst van te begrijpen begrippen
de noten die verwijzen naar de wereld

(p. 26)

En ook de natuur wordt gezien als een kantoor, een archief:



in een bos, een gemengd, waar ook dieren zich op
houden in dozen, in drassige ordners van gras

(p. 27)

Terwijl men zich met zichzelf bezighoudt



Speelt zich onderwijl het echte
leven af.

(p. 29)

en dat leven wordt bevolkt door: voetbalmannen, sloofje, haardief, matronen, deerne, vee, een Saksische maagd, zogende ratten, herders, armige dochters, ontberende zonen, breedhoekige dames, kale mannen en hoekige vrienden. Ook is er de lezer:



De lezende man weet een paar
dingen. Op zegt hij ze 's nachts
want al parend vergeet, is hij bang.

(p. 34)

Zo weet hij iets over geboortes in Mesopotamië, maar:



Hij weet ook dat spraak altijd sneuvelt.
Dat lezen een zucht en een speling. Dat
woede beschaafder dan lust, maar het aflegt.

(p. 34)

Zijn gedachten gaan met hem op de loop totdat zijn kennis verworden is tot het idee dat in Mesopotamië 'hompen raar vlees' worden gebaard. Woede is in die zin niet beheersbaar, zoals ook op school gezien wordt:

Feiten trekken lijnen naar de vijand,
meester heult met onzin, vrijheid knot.

Laait verbijstering op, wringt
onoirbaar brullen uit een strot, bloedt

neuzen. Wroet boven blinde
navel wrok om loze macht, prevelt
leuzen tot bot beton. Haat

vreet zich zieke plekken in je lever,
want kon men kwaad bestrijden, domheid won.

(p. 37)

Behalve 'de lezende man' zijn er ook andere, identieke mannen: 'de slachtende man', 'de denkende man', voor de afwisseling is er ook 'de speldende vrouw', er is 'de levende man' met 'een kundige dochter', er is ook 'de zwijgende man' en dan zijn we bij het titelgedicht aangeland:



De zwijgende man voelt haar
eertijds versmade volmondige
spenen van maagdvlees levendig

voor zich.

Men reikte niet naar het onthulde
geheim van zijn melkwitte liefde, men
nam het eenvoudig niet waar. Men rookte
en sprak met onschuldige flessen.

In een stad hangt haar pracht
van ellende aaneen, eeuwen later
maar zonder verlies.

De zwijgende man is niet bitter.

(p. 56)

Er zijn nog meer mannen: 'de jagende man', 'de vindende man', 'de spelende man', 'de zingende man', 'de schouwende man', 'de makende man', 'de wonende man', en al die mannen leiden zo op het oog een ordentelijk leven, maar er worden verlangens diep verborgen:



Hier is het ongeziene veel

genoemde stemloos ogende elpen
meisje met boezem waartegen
men u. Aan haar lippen

ontglipt een kolonne liefdadige
vlinders, onvervangbare vlinders van waarde.

Maar stil


en de man werkt kalm door, ademloos, maar:

Het fleurig behang ongeschoren.
Mot huist in het zwijgende net.

(p. 64)

De kinderen van deze mannen zijn inmiddels half volwassen:

Wij zitten het uit met ons lichaam.
Het ligt meestal tussen ons in.

(p. 67)

en verlaat het huis op jacht naar vertier. De man zelf verlaat het huis - in gedachten - ook in weer een gedicht over zelfmoord. Hij neemt afscheid van zijn flessen, boeken, bed, sigaren:



Verlaat het huis en gaat van water leven,
water zijn dat wrak en vis omhelst,

gaat adem worden die het stuifmeel bedt
en vlammen kust en vogelen des velds,

wordt aarde waarin wortel zoekt en mol
zijn blindheid voedt met rotte boeken.

(p. 68)