2: "Het asfalt sloot zich"

In 1997 verscheen Alles is werkelijk hier, een bundel waarin werk van de Tsjechische fotograaf Vojta Dukat becommentarieerd wordt door gedichten van Eva Gerlach. Het gedicht 'Cochabamba' completeert een foto van mannen die aandachtig op straat de voortgang van een bordspel volgen. Alleen een knulletje lijkt de fotograaf op te merken en kijkt enigszins achterdochtig recht in de camera.

Kijk, ze staan allemaal
zo van je afgedraaid
dat ze al zijn verdwenen
voor je ze ziet - alleen
hij in het midden met zijn
kale smoel naar je toe
zit gevangen voorgoed,
opgezet in verhaal
.

Stukken klaar om te slaan.
Ergens hier ontbreek ik,
liep, bleef steken en viel.

Samenhang van de ziel
uitgerekt tot voorbij je
lichaampje dient zich aan
als de werkelijkheid.

(p. 29)

In 1998 verscheen de bundel Niets bestendiger, waarin het gedicht 'Het stille strand' een idyllisch familietafereeltje oproept. Aanvankelijk onbegrip leidt tot grotere zelfkennis bij de 'ik'. De kinderen hebben geen belangstelling voor inktvisruggen die door de 'ik'-figuur enthousiast verzameld zijn:

kalkachtig schuim, gestold, geen spoor van mantel,
zak of armpje, waar je ook begon.
We stapelden ze op, liepen als obers
zwaar beladen langs de branding naar de
kinderen te wenken dat ze moesten
komen maar geen sprake. Lieten zich door
golven hoger dan ouders meenemen, gleden
krijsend de schepen na, kleren zoek onder bergjes
opwaaiend zand verweg. Flarden los schuim
als je ze zag, hun witte
springende ruggen. Daar stonden we met onze handen
vol ontuig dat zij nooit verlangd, gevraagd,
gekozen of van ons, toen dat nog kon,

als neiging tot behoud begrepen hadden.
(p. 35)

In 1998 waagde Eva Gerlach zich op nieuw terrein met de publicatie van een dichtbundel voor kinderen, Hee meneer Eland. Deze zeer goed ontvangen eerste bundel kindergedichten werd bekroond met een zilveren griffel en met de Nienke van Hichtumprijs. Het juryrapport bij deze laatste prijs benadrukt dat de gedichten die 'bedrieglijk eenvoudig' ogen bij uitstek geschikt zijn voor kinderen. 'Maar tegelijkertijd is die eenvoud schijn en dat maakt de bundel ook fascinerend voor volwassenen. Er staat meer dan er staat, de gedichten zijn raadselachtiger, geheimzinniger, griezeliger vaak ook [...] dan ze in eerste instantie lijken.' In het gedicht 'Draak' komt er steeds als het 'ik-kind' kwaad of bedroefd op bed ligt te huilen een verschrikkelijke draak langs het raam vliegen:

en ik doe het raam open.
O Draak zeg ik kom bij mij er is geen gevaar.
Hij komt mijn kamer in gekropen met zijn
vreselijke klauwen ieder zo groot als een hand

en wij omhelzen elkaar en dansen de dans
die Draken dansen in tijden van oorlog en hij
schiet ervandoor, een brand in de nacht en ik kijk
hem na, misschien dat ik weer naar beneden ga.

(p. 11)

In 1999, precies 20 jaar na het verschijnen van Eva Gerlachs eerste bundel Verder geen leed (1979) vond haar uitgever De Arbeiderspers het moment gekomen om een verzamelbundel uit te geven van haar werk: Voorlopig verblijf. Gerlach koos zelf de 75 gedichten die opgenomen werden in dit overzichtswerk. Een deel van de gedichten werd voor deze bundel in min of meerdere mate bewerkt. De nadruk van de gekozen gedichten ligt vooral op haar oudere werk; toch is er al duidelijk een ontwikkeling waarneembaar van korte, regelmatige dichtvormen (twee kwatrijnen bijvoorbeeld) naar een lossere vorm, zoals die vooral in de laatste afdeling van de bundel voorkomt. Het gedicht 'Opdracht', afkomstig uit Een kopstaand beeld (1983), is een voorbeeld van een achtregelig gedicht in drie strofen van respectievelijk drie, drie en twee regels.

Onthoud: een laan in juni. Gezeefd licht
streept ons zomerse goed, huiverend staan
wij naast Verzorgingshuis De Bloemenkamp.

Laat vader bij het instappen voorgaan.
Hij is weer bang en krijgt zijn mond niet dicht,
maar laat het er niet uitzien als een kramp:

wanneer de bus ons langs de Weteringen
voert, moet het lijken of hij zit te zingen.

(p. 27)

De in 2000 verschenen gedichtencyclus Solstitium ontstond in de zomer van 1999 tijdens een tocht die Eva Gerlach maakte door de Schotse Eildon Hills bij Melrose. De bundel vormt een eerbetoon aan de dichteres bij gelegenheid van de toekenning van de P.C. Hooft-prijs 2000 voor Letterkunde. Marianne Aartsen verzorgde de illustraties. De gedichten van Eva Gerlach worden vaak gekenmerkt door haar poëtische visie op haar eigen kijken en waarnemen. In Solstitium neemt zij de lezer aan de hand tijdens een wandeling. Het Latijnse citaat in het volgende fragment in sectie '12' ('Als Jezus komt, gaat de schaduw terug') is volgens de inleiding te vinden naast de zuidingang van de oorspronkelijk 12de eeuwse, in de 15e eeuw herbouwde abdij van Melrose, ongeveer op het punt waar circa 1000 v. Chr. de tegenoverliggende berg tijdens het wintersolstitium zijn verste schaduw wierp.

Loop naar het dorp, het plein,
vind wat gebouwd in later jaren dood
verjagen moest, het fijn gesneden beeld
waarbij geschreven staat Cum venit Jes.
sequax cessabit umbra.
Daar waar
het scherp geheven werd, de schaduw kromp

verlaat de bladzij geluidloos
(p. 31)

In het als '13' genummerde gedicht in Solstitium komt de gedachte voor die met enige regelmaat terugkeert in het werk van Gerlach: dat je om dingen te onthouden het beste maar zoveel mogelijk kunt vergeten.

Om nu te weten wat er is gebeurd
moet je vergeten wat je hebt gezien.

Alles hier waar je stond nog staat en verder
bergafwaarts het dorp in is voorbij. Misschien

als je naar huis loopt dat je onbedoeld
niets meer herkent. Moment. De sponning voelt.

(p. 33)

Daar ligt het verscheen ter gelegenheid van de vierde Gedichtendag op 30 januari 2003. Eva Gerlach schreef op verzoek van Poetry International de 10 gedichten die deze bundel telt. Verlatingsangst speelt een rol in het gedicht 'Asfalt'. Kijkend naar een vertrek krijgt de 'ik' een visioen van de trekschuit naar Haarlem die het asfalt in haar straat doet veranderen in water. De terugkeer is geruststellend alledaags.

Laat me
hier niet achter riep ik door het raam
vanwaar ik ze zag gaan gaan, ik kan hier niet zo
in mijn eentje blijven staan, maar zij
meegevoerd door haast namen de bocht
linksom naar het park. Het asfalt sloot zich,
uit de diepte die ik duidelijk
had zien stromen, spiegelen en
bruisen, sprong geen vis. Het is te hopen
dacht ik dat zij nog met vloeibaar tij
komen waar zij moeten zijn vannacht.

Alles lag zoals het altijd lag.
Jij kwam aan, het was al laat, parkeerde
slordig als gewoonlijk, nam je tas
uit de auto en keek staande op het
dichte asfalt recht omhoog naar mij.

(p. 7)

Ter gelegenheid van de tentoonstelling 'Passages' van het werk van Marianne Aartsen in het Stedelijk Museum Roermond verscheen Jaagpad (2003). Marianne Aartsen vond haar inspiratie voor het beeldend werk dat een plaats vond in Jaagpad in drie lange reizen die zij maakte in Afrika. Eva Gerlach voorzag de werken van gedichten. In het gedicht 'Drie hazen' wil 'een leegte' omhoog 'uit hen die daar dood op de hielen maar te slim (te wijd) liggen om te blijven wie zij zijn'.

Ach hazen vleugelgeil en visdoorzwommen
word aards en luchtig als weleer, laat grond
en jager hun gemis aan ergens plaats,


gedicht maak deze los als vergelijk
die daar terugspringt en zijn spoor verlaat
op afstand wacht en naar de honden kijkt.

(p. 19)

Net als in haar overige bundels probeert Eva Gerlach ook in Een bed van mensenvlees (2003) zicht te geven op de min of meer falende pogingen van de menselijke geest de wereld te bevatten. In 6 secties probeert zij de werkelijkheid 'een keer te zien zoals zij zich voordoet'. In de sectie 'Over de goden' kruipt de dichter in de huid van Leda in de nacht dat zij bezoek krijgt van Zeus in zwanengedaante.

zojuist sliep je nog maar je kan
nu nooit meer ophouden met schrikken ook
al reikt hij kep en zweepje bit en teugel

bliksemend stijgt hij op met je geheugen
waait van je af waar was je eerst terloops
aai je over het dons dat aan je brandt

(p. 11)