1: "Een clair-obscur van modder en licht"

De debuutbundel van Wouter Godijn, Alle kinderen zijn van glas: gedichten, verscheen in 2000 en werd niet direct opgemerkt door de landelijke dagbladen. Wel werd de bundel in het literaire tijdschrift Bzzlletin besproken en werd Godijn geroemd om zijn 'scherpe oog voor de ontluisterende kanten van het leven'. Kees 't Hart noemde de gedichten van Godijn in Vrij Nederland 'de beste poëzie van het jaar 2000' . De gedichten ademen een zekere onverschilligheid, maar daar doorheen klinkt wanhopige toon. De woordkeus en het taalgebruik zijn nuchter, maar soms opvallend poëtisch: in deze gedichten staan het mooie en het lelijke steeds zij aan zij. Steeds weerkerende thema's in het werk van Godijn zijn: dood en zijn of niet-zijn, waarbij het alledaagse tegen het bijzondere wordt afgezet.

We leven even niet.
Maar we zijn ook niet dood.
Alle rekeningen zijn betaald, de boiler is gerepareerd, de tuin
doet het nog. Het gras
is gestofzuigd.
(p. 8)

Of:

De seringen verdrinken ingetogen in de regen
- afwezig als poepende katten. Ze zijn er niet

helemaal bij met hun gedachten.
(p. 13)

Godijn beschrijft de dagelijkse werkelijkheid op een vaak onluisterende, droogkomische manier. Hij beschouwt en registreert zijn omgeving en trekt voortdurend vergelijkingen. Het dichten zelf is vaak onderwerp:

Een clair-obscur van modder en licht:
een gedicht als een halfdode watervogel.
In het riet. Een beetje kliederig bezig met sterven
(p. 38)

Of:

Gedicht gaat voorbij

in de trein
(p. 25)

De beelden die worden opgeroepen zijn vaak zó alledaags, dat ze voor iedereen herkenbaar zijn. Godijn lijkt te streven naar een universeel beeld waar de lezer zich aan kan spiegelen.

De boomgaard staat bedremmeld in de zon:
zo'n man van vroeger
die na dertig jaar trouwe dienst onwillig op een podium klom.
De geur van rottend ooft en verschaald bier neuriet eigenwijs:
hier is geleefd.
(p. 24)

Pijn, verdriet en sterven plaatst de dichter in een alledaags perspectief. 'Een beetje pijn lijkt me wel fijn' staat in hetzelfde gedicht als 'alles kwiek de afwasmachine in donderen'. Zo worden 'zware' onderwerpen gerelativeerd:

Een beetje pijn lijkt me wel fijn,
maar niet te veel als dat kan.
Lekker lijden maar wel binnen de perken.
Ik dacht aan getemperde vervoering
op zondagmiddag bij de thee

en dan een lichte maaltijd,
alles kwiek de afwasmachine in donderen,
terwijl mijn vrouwen veilig opgeborgen boven mijn hoofd

in de kinderkamer krijsen als spreeuwen.
Bedenken dat je voetbal kunt kijken,
maar niet doen:

missen is mooier
(p. 29)

Zo mooi kennelijk, dat de lezer aan het slot van dit gedicht zelf de punt moet missen. Er is in de gedichten in Alle kinderen zijn van glas vaak sprake van een tegenstelling, zoals in het gedicht 'Kinderverhaaltje'. De titel suggereert een onschuldige vertelling, maar het gedicht begint zo:

Pijn kwam op een mooie zomerdag
en vroeg: 'Mag ik bij je zijn?'

Pijn werd groot en ik werd klein.
(p. 14)

De stijl is die van een kinderverhaal, maar de thematiek is zwaar en ernstig: de ontluistering wordt hierdoor nog groter. De dood komt vaak in de gedichten van Godijn terug. Sterven is onontkoombaar en wordt vaak gerelativeerd. Zo gaat het gedicht verder:



En mijn meisje houdt je herinnering levend.
Bevend zegt ze: 'Ik ben te bang om te leven en te bang om dood te
                                gaan.
'
'Best mogelijk,' dram ik, 'maar nu moet de kleine een banaan.

Sterven doe je te zijner tijd gewoon uit de losse pols.

Ik zal je nog wel leren hoe dat moet.

Je kunt er niet je beroep van maken - ik
heb eens iemand gekend die dat probeerde,
maar dat bedrijf is langgeleden failliet gegaan.'

(p. 15)

De grote vraag van deze gedichten is: hoe het leven te aanvaarden? Kan dat eigenlijk wel? Is niet alles gedoemd te mislukken? Het is, kortom, een vermoeide, maar ironische levenshouding die uit deze gedichten spreekt, waarin de onverzoenlijkheid met het leven tegelijk serieus en niet serieus wordt genomen. De toon is een rustig parlando, ontspannen op het lusteloze af.

Te laf om slecht te zijn, besloot ik om me toe te leggen op het goede,
maar daar werd ik zo moe van
dat ik na elke poging dagenlang op bed moest liggen om te rusten.

(p. 7)

En tenslotte:

Van jongs af aan at ik met tegenzin.
Zelfs van mijn gezin neem ik maar kleine hapjes
en denk: ik proef iets wat bedorven is
maar dat zal ik zelf wel zijn.

(p. 12)