2: "...dat ik die dag water en een boot was"

De tweede bundel van Godijn, Langzame nederlaag werd gepubliceerd in 2002. Deze keer volgden wel een aantal recensies in landelijke dagbladen. Zo schreef Peter de Boer in Trouw dat Godijn 'een onafzienbare reeks groteske invallen over de lezer' uitstortte. Voor die groteske neemt Godijn in de gedichten opnieuw het alledaagse leven als uitgangspunt. Maar de toon is abstracter en de wendingen zijn grilliger, waardoor de beelden minder makkelijk te vatten zijn. Waar vergelijkingen in Alle kinderen zijn van glas meestal direct duidelijk zijn, is het beeld dat in Langzame nederlaag wordt opgeroepen moeilijker te duiden en te begrijpen.


Rock-'n-roll is here to stay!
O jee, we veranderen

in reigers. Met een zwak
voor luitmuziek: sssst!

wind in riet.
(p. 39)

De dood en het lijden spelen opnieuw een belangrijke rol.

'Nu ga je dood hoor,'
hoorde ik roepen. 'Het is zover. Dit wordt
een schot in de roos.' (Al die bloedende
bloemblaadjes. Zo véél
rode sneeuw. Nooit gedacht
dat ze dat hadden - en ervoor over hadden.)
(p. 59)

En:

Opeens ben ik dood
- zo lijkt het tenminste;
dat komt van al dat malen.
Ik hang aan een soort parachute

boven mijn hoofd - als dat mijn hoofd nog is.

Zal ik nog één keer indalen?
(p. 58)

In het dichtwerk van Godijn speelt onzekerheid over het bestaan de hoofdrol. Ook de dichter lijkt er niet helemaal zeker van te zijn of hij weet wat hij wil. Hij gebruikt allerlei ontsnappingsclausules en vaagheden. In een van de gedichten beschrijft hij hoe de dingen die je nastreeft, je tegelijk ontdoen van je identiteit. Het is alsof de ik-figuur - de dichter Godijn? - zichzelf wegcijfert:


Er zijn dingen aan de hand en er zijn dingen die er zijn,
maar niet aan de hand.

Dat laatste is beter.

Zelf ben ik bijna onafgebroken aan de hand,
maar ik oefen.

Soms lukt het.
(p. 44)

En:

Ik kan nu eindelijk wat ik altijd wou:
hoog boven mezelf uit stijgen. Er is bijna geen Godijn
meer en heel veel niemand
(p. 59)

Aan de gedichten ligt een existentiële boodschap ten grondslag: zijn en niet-zijn is een vraagstuk dat de dichter voortdurend voor het voetlicht brengt. Daarbij verplaatst de ik-figuur zich soms in andere objecten en is hij plots in een boot veranderd:

Ik voer door mezelf,
waaruit u - terecht - zou kunnen afleiden
dat ik die dag water en een boot was.
(p. 35)

Of zoals in het gedicht 'De veelvormigheid':

Hij staarde in zijn navel
en ging erin op;

in zekere zin was hij er dus niet meer
hoewel ook wel:

hij was in het staren
en in zijn navel.



De dichter speelt met de keuzemogelijkheden alsof besluiteloosheid de norm is. Het is een spel met varianten op eigen dichtregels. Bijvoorbeeld in hetzelfde gedicht:


(Alsof je ronddwaalt in regenachtig zonlicht. Zonlichtachtige regen
zou ook kunnen.)

En:

Het was koel zoals wiskunde
en tegelijk verhittend
en na verloop van tijd kwam er een vraag bij hem op
(p. 16)

Net als Rutger Kopland past Godijn vaak enjambement toe, waardoor een zekere vertraging in de gedichten wordt bewerkstelligd.

Geluk dat naar erwtensoep smaakt
is geen misplaatst geluk maar wel

hinderlijk ranzig als regen die eruitziet
als cider. Het lijkt net een vergissing

zoals cider die eruitziet
als urine en -
(p. 25)

Net als in de eerste bundel is ook hier het dichten en de gedichten zelf het onderwerp van een aantal gedichten, soms in de vorm van een terzijde midden in het gedicht, zoals de cursief gedrukte regels uit het gedicht 'Mij-ei':

Ja, hoe komt dat toch - net nu ik zo goed op dreef was.
Waarom kan ik nu opeens niet verder?
(p.36)

Dit gebeurt ook in 'Melk', waarin gedichten zich 'uit reikhalzen'. De gedichten vertonen zo menselijke trekken:

De gedichten reikhalzen zich uit,
niet zo hoog als anders,

hoger.
(p. 37)

Het dichtwerk lijkt af en toe op dat van Toon Tellegen: deze dichter laat ook regelmatig 'levenloze' objecten zich menselijk gedragen:

' waar de rode wijn gelukzalig dommelt
en mompelt - terwijl ze even gaat verliggen in haar glas -
dat de zon niet nodig is - "Kan ik zelf wel hoor" -
(p. 23)

Ook het gedicht 'Onder wolken' lijkt door deze dichter beïnvloed. Het leven gaat even liggen, wolken gaan op bankjes zitten:



                                                    Het leven

ging er maar bij liggen, rekte zich uit
als een vrouw in het zand en de lucht
besloot met een zucht (het schijnt nu eenmaal te moeten) om blauw te zijn.

Wolken gingen bedaard op bankjes zitten, leunend op stokken
en de blik die ze op mijn trein lieten rusten had iets hautains.
Ik stuurde een telegram

en toen ze het hadden gelezen (mijn vader
heeft het zo vreselijk druk met overlijden) haalden ze hun schouders op.
Hij verdween, telegrafeerden ze terug, en dat kwam niet in aanmerking
voor bijzonder. Gras kon het ook. Beren deden het
in de winter. En ik, zometeen.
(p. 22)

In dit gedicht relativeert de dichter het overlijden van zijn vader. De gebeurtenis wordt zo in een breed perspectief geplaatst. Voor de wolken, die de persoonlijke context van het gebeurde niet zien, is de dood van een persoon hetzelfde als beren die een winterslaap houden: ze verdwijnen eenvoudigweg. Maar hoewel de beren, het gras en de ik-figuur wél terugkomen, komt de overleden vader niet meer terug. Dit maakt het verlies des te wranger.