3: "Gisteren verwachtte ik de dood"

De karpers en de krab, verschenen in 2003, werd in 2004 genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs van 2004 (die uiteindelijk naar Mustafa Stitou ging). In deze bundel beweegt Wouter Godijn zich opnieuw tussen twee werelden: de wereld van het alledaagse en die van het verhevene. De gedichten zijn langer dan in zijn eerdere bundels, met lange versregels. Godijn gebruikt vaak spreektaal om het alledaagse kracht bij te zetten:



                                Waarom maakt het schijnbaar banale

- Barbies afgebroken rechtervoet;
het door een zwerm kouwelijk rillende kreunvraagjes omzoemde nieuwe lila
(vin-je-et-mooi-echt?
dus-ut-kan-wel?)
sollicitatiepakje van mijn liefste
- méér indruk op me dan Valéry?
(p. 14)

Waarbij Valéry de Franse auteur Paul Valéry (1871-1945) is, die veel opstellen publiceerde over poëzie en beweerde dat een gedicht nooit af is. In De karpers en de krab worstelt de dichter opnieuw met existentiële vraagstukken. Wat is zijn, wat is niet-zijn? Uit de bundel spreekt een grote onzekerheid tegenover het leven en de wereld waarin de dichter zich bevindt, zoals in het titelgedicht:

Ik graai om me heen zonder ergens
houvast te vinden. Het is alsof ik verdrink,
terwijl het omgekeerde gebeurt;
ik kom, naar adem happend, ter wereld.
(p. 12)

Of in het gedicht 'Verbeterde bomen':

Het licht speelt - eindelijk ontdaan van zin -
dwars door me heen. Heel even
heb ik geen einde en geen begin.
(p.31)

Uit de gedichten spreekt vaak een melancholisch verlangen naar verre plaatsen en andere tijden - vaak is er bovendien sprake van een onbestemd doodsverlangen.

Alles is zoals altijd: ijlings
op weg naar ver weg. Zijn speelt
zich zelden af waar wij zijn.
(p. 7)

In het gedicht 'Willekeurige dagen' speelt Godijn opnieuw met het thema van de dood en het doodsverlangen. Het besef dat de dood kan 'binnentreden', stemt de ik-figuur gelukkig:

Gisteren verwachtte ik de dood. Hij kon elk ogenblik
binnentreden. Mijn humeur was als het begin
van een stralende voorjaarsdag. Bomen verhieven zich als dromen
boven een moeras van mist.

Als verder in het gedicht blijkt dat de dood toch niet is op komen dagen, is de ik-figuur juist somber: Op deze manier speelt de dichter met de verwachtingen van de lezer.

Vandaag schijnt de dood ver weg. Mijn humeur lijkt
op de kelder van de trap
in een dertig jaar oude, schaapachtige woning met konijnentijden
bewoond door oppassende mensen
(p. 47)

In sommige gedichten is er sprake van onmacht en onzekerheid bij de ik-figuur. Hij weet vaak niet precies wat hij wil, maar ook als hij dat wel weet, is niet altijd zeker of datgene wel het goede is.

Ik wou wel iets met wolken
maar ik weet eigenlijk niet wat.
Ik word omringd door zo'n groot, mild-gonzend vergeten
dat er nauwelijks plaats over is
om iets te weten.
(p. 21)

Of in 'Nog een deur':



Is dit de deur

waarover ik eerder schreef? Ja en nee
is het veiligste.
(p. 44)

De tegenstellingen uit Alle kinderen zijn van glas nemen ook in deze bundel een belangrijke plaats in. Zo bijvoorbeeld in het gedicht 'Warm mensengedicht in de war' - een titel overigens die al boekdelen spreekt:

Heel rustig, heel sereen
verkracht het zonlicht de kamer:
wat je ziet, schijn
je niet te zien.
(p. 11)

Of in 'Nacht', waarin opnieuw een levenloos object levend wordt gemaakt:

Het landschap hield de adem in;
een warme en tegelijk gure windvlaag sneed
het hart van de zomer open. Ik hoorde
de populieren een bijna onhoorbare zucht slaken.
Een ogenblik later vloog alles in brand

maar dan zonder vuur.
(p. 10)