"Verre sterren, eindeloze liefde"
Zoekmachines
De derde bundel Zoekmachines (2002) van Ruben van Gogh is bijzonder uitgevoerd: de pagina's zijn zwart, de letters zijn gedrukt in wit. Een diapositief boek. Het uiterlijk van de bundel doet denken aan een zakcomputer. De paginanummering is binair, dus uitgevoerd met 1-en en 0-len. De bundel bestaat uit vier secties: 'Een zee van taal', 'Losse hulzen', 'Prille Materie' en 'Mond-op-mondbeademing'. Net als in de vorige twee bundels speelt het heelal, de ruimte, een belangrijke rol. Voorafgaand aan de vier secties staat een inleidend gedicht:
ineens was ik daar
hoe had ik kunnen weten
dat de ruimte overging
in spiegelende ruiten, waar-
doorheen je naar buiten kon
kijken alsof
je daar nog stond
(p. [5])
In het eerste deel 'Een zee van taal' zijn de taal, het dichten en het denken prominent aanwezig. En bovendien is er de ruimte die dit alles versterkt.
ik noem je naam in de immense hal.
je klinkers en medeklinkers klinken mee
in een mensenzee van voortbewegende voeten
waarvan er ergens twee van jou moeten zijn
(p. [18])
Maar wat als een dichter eigenlijk niet bestaat en alleen zijn gedichten bestaan of sterker nog: alleen zijn gedachten:
Wat nou als ik een gedachte was
een wachtende gedachte
die zomaar in de lucht hing
als een zomers onweer
(p. [19])
In deel II 'Losse hulzen' gaat 'Otto de otter' op verkenningstocht.
joehoe, ik ben hier, riep het dier,
en wentelend was het weer verdwenen
deed toch alles goed: zwom wel degelijk
tegen de stroom in, keek terdege
onder stenen - in tegenstelling tot degenen
die het tegendeel beweerden -
(p. [23])
In 'Oorlogsliedje' komen de gruwelen van vroeger boven de grond:
op een zee waar wij geen weet van hebben
varen wij, en komen niets anders tegen
dan van lege flessen lege halzen
zoals er wel eens losse hulzen liggen
op afgelegen plekken waar je
niets of niemand vinden kan
behalve dan van levens witte beenderen
kale knoken als bloemen gebroken
nog voor zij konden bloeien
(p. [25])
Opnieuw komt Vlaams 'monkelen' voor (in een gedicht over een oude man en een dobbelsteen) en daarnaast refereert Van Gogh aan een ouder eigen gedicht, met een universum waarin van alles gebeurde. Nu, over dit 'Eigen universum' lezen we:
d'n oude wijze man monkelt
tegen het einde van de eeuwigheid
stilletjes voor zich uit
in een hoekje van het heelal
waar nooit eens wat gebeurt
(p. [28])
Er is veel geluid in de sectie 'Prille Materie'. Die kreeg een motto van Multatuli mee: 'Over de klinkletters'. Het geluid komt van alle kanten: er is gebonk van bouwprojecten, er zijn drilboren, er is smeltende sneeuw, er zijn klokken die de schafttijd aangeven en er is de symfonie van vertrekkende treinen, er zijn pompende harten en er is geratel op de spoorbrug en het kadoenken van de hartslag die de rode bloedlichaampjes voortstuwt. Het reizen begint in het gedicht 'Vanuit de inktpot' (deel I):
- je komt dus altijd ergens aan, het had ook
ergens anders kunnen zijn
(p. [39])
Alles wordt van binnenuit gezien in deel III van dit gedicht.
en vanbinnen
doezelen dan de rode bloedlichaampjes
- kadoenk - kadoenk - de uitgerolde aderen door
maken miniscule uitstapjes
tegen het eelt van verkennende vingertoppen
zien de wereld voorbij het wit van de ogen
(p. [41])
Het deel 'Mond-op-mondbeademing' - met een motto van Prince over het genot van de herhaling ('There's joy in repetition') - bevat een cyclus eigentijdse liefdesgedichten, waarin de virtuele wereld een belangrijke rol speelt. Het zijn gedichten die variëren in vorm en structuur over het verschijnen van de geliefde op het beeldscherm, via het world wide web, het internet. Het begint met het gedicht 'Touchscreen', op een manier die aan de gedichten van Gerrit Achterberg doet denken:
ze lijkt wel wereldwijd verspreid
in een hoedanigheid die niet
anders dan voor een bepaalde tijd
daadwerkelijk gedijt in tastbaarheid
Dan volgen de virtiuele toenadering en een virtuele vangst:
tot op het punt dat ergens op dat web
zich een hand nonchalant naar haar strekt,
haar raakt tot op het glas
en haar beetje bij beetje binnenhaalt
(p. [45])
Het vuur laait hoog op:
er waarden sirenes rond toen wij samenkwamen
ik zag je binnenkomen in mijn bovenkamer
glas brak aan stukken een alarm ging af
ik keek in je ogen probeerde je lippen
Er is groot alarm: zowel politie als ambulance als de brandweer komen toegesneld. De sirene van de burgerbescherming gaat waarschuwend af. De waarschuwing houdt in dat alles weliswaar goed is, maar dat niet te veel illusies moeten worden gekoesterd.
goed was nu, maar dat dit niets
hoefde te betekenen voor later
en of we dat maar wisten
(p. [47])
Alle zintuigen raken bedwelmd door de liefde in 'Zintuiglijk vijfluik' deel II, over het 'fenomeen van feromonen'.
red mij, sprak ik haast pathetisch,
ik ga ten onder in je geuren,
hier moet mond-op-mondbeademing
gebeuren, of ik verdrink nog in die zee
(p. [49])
Ook het gehoor is in de war. Fantasie en werkelijkheid zijn door elkaar gelopen. Via proeven en gehoor komen we bij de tastzin uit:
ik dacht even ook mijzelf te horen
- het ruiste in mij of het waaide -
toen zag ik pas dat jij het was
die fluisterend de dop losdraaide
en ons inschonk in ons glas
(p. [51])
- Terug naar: Introductie