Ruben van Gogh en de kritiek
Ruben van Gogh debuteerde als dichter in 1996 met De man van taal en publiceerde sindsdien nog twee andere bundels poëzie, benevens enkele andere publicaties. Bekroond werd het werk van deze dichter tot nog toe niet, wel maakte hij deel uit van letterkundige jury's, zoals voor de J.C. Bloem-Prijs en de Nieuwegeinse Literatuurprijs.
In zijn voormalige woonplaats Groningen woont ook één van de weinige Nederlandse dichters die van de pen kan leven: Jean Pierre Rawie. De kennismaking met het werk van Rawie betekende voor Van Gogh de kennismaking met de serieuze dichtkunst. Maar veel meer dan Rawie is Van Gogh geïnteresseerd in de bewegelijke tijdgeest. 'Alhoewel ik Rawie erg goed vind kan ik uit zijn gedichten niet lezen dat hij vandaag leeft'. Van Gogh wil beweging vangen in woorden. Hij kan zich eindeloos laten inspireren, bijvoorbeeld door muziek. 'Sommige clips op MTV, dat zijn zuivere gedichten. Rappers, met hun enorme hoeveelheid tekst! Dan sta je als dichter mooi langs de kant te kijken. Maar het zijn geen gedichten. Bij een liedtekst zit de muziek in het zingen en bij een gedicht zit de muziek in de tekst'.
Zijn reputatie snelde Van Gogh vooruit. Een recensie van zijn debuut in Trouw door Peter de Boer begon als volgt: 'De poëzie van Ruben van Gogh (1967), performing poet uit het Groningse, is èèèrrug camp. Ik neem tenminste aan dat de gesausde romantiek van zijn bundel De man van taal met veel hoogopgeleid gevoel voor ironie gelezen moet worden'. De poëzie heeft hierna strikt genomen nog wel een kans, maar de toon is gezet. En inderdaad, ondanks enige welwillendheid besluit de bespreking met de kwalificatie 'melige flauwekul'.
Piet Gerbrandy was in zijn bespreking van De hemel in, de hemel uit in De Volkskrant in 1999 evenmin erg mals. Gerbrandy signaleerde - heel pesterig en concreet - twee goede gedichten in de bundel (61 pagina's dik) en uitte overigens vrij wat kritiek. 'De afzonderlijke elementen van de [bundel] suggereren van alles, maar zeggen niets, en van een vruchtbare versmelting is al helemaal geen sprake. Er zijn gedichten die het schrijven tot onderwerp hebben, gedichten over ruimtereizen en buitenaardse wezens, over televisie en over Groningen, er zijn vertalingen van Prévert en toespelingen op het boek Prediker. Maar wie zich na lezing van de bundel afvraagt wat de Man van Taal te vertellen heeft, moet vaststellen dat dat vrij weinig is'. En: 'Indien poëzie hermetisch noch geestig is en evenmin over een overrompelende akoestische techniek beschikt (of die nu in de gedichten zelf zit of elektronisch wordt toegevoegd), heeft de lezer recht op een interessant verhaal, treffende observaties of lucide inzichten. Waarom zou je anders een dichtbundel lezen?' Bovendien kon Van Gogh ook nog wel wat grammatica-onderwijs gebruiken, volgens Gerbrandy. Arie van den Berg schreef over de auteur in NRC Handelsblad: Ruben van Gogh 'is het stilistisch begaafde neefje van Archie, de Man van Staal - een ijzeren stripheld uit de jaren '60 en '70. Waar hij zoals in 'Terug naar de vlakte' werkelijk die Man van Taal blijkt, zingt zijn vers, zelfs al werd het voor het podium geschreven, ook op papier. En daar beklijft het.
Adriaan Jaeggi ten slotte begon ook al weinig veelbelovend zijn bespreking in Het parool in 2002 van Van Goghs bundel Zoekmachines: 'Met de nieuwe bundel van Ruben van Gogh is iets vreselijk misgegaan. Of de fout bij de uitgeverij of de drukker ligt, zal wel niet meer te achterhalen zijn, maar het is onbegrijpelijk dat niet is ingegrepen toen de drukproeven van Zoekmachines binnenkwamen. Iemand moet toch hebben gezien dat de hele bundel in diapositief was gedrukt? Nu is het te laat, en ligt er een bundel in de winkel met schier onleesbare witte lettertjes op pikzwarte pagina's. Of zou het, je durft er haast niet aan te denken, zo bedoeld zijn?' Jaeggi beklaagt zich uitgebreid over de ongewone vormgeving, omdat hij juist vreest dat die de lezer afleidt of afschrikt, wat Jaeggi zou betreuren: hij noemt de bundel de intrigerendste tot nu toe van 'waarachtig toch niet de minste dichter van Nederland'. Jaeggi's eindoordeel viel overigens positiever uit: 'Ruben van Gogh is en blijft een romanticus. Hij laat zich niet afschrikken door de zee van enen en nullen die hem, en ons, omringt, maar duikt er kop over kont in en transformeert hem tot een warme zee van taal'. Erik Kok schreef in het Noordhollands dagblad: 'De gedichten zijn ritmisch, en bekken goed: ze staan bol van rijm, klankassociaties en herhalingen. Van Gogh is bovendien humoristisch. Hij combineert stijlen die niet bij elkaar passen, knipoogt vet naar cliché en smartlap, hij paart naïviteit aan gevatheid en schuwt de woordspeling niet'.
Kortom, verdeelde meningen. De vraag is en blijft in hoeverre een performing poet zich in de stilte tussen boek, lezer en recensie moet laten vangen. Tijd om zelf een oordeel te gaan vormen!
- Terug naar: Introductie